Portfolio & Blog
Rijdend in een taxi door de buitenwijken van Havana voelde ik me zoals iemand zich gevoeld moet hebben na het voormalige ijzeren gordijn gepasseerd te hebben: in een andere wereld. In een wereld waar huizen huizen zijn, autos autos, een wereld van prototypen, zonder opsmuk. Puur aan de ene – zonnige – kant, kaal aan de schaduwzijde. Cuba heeft inderdaad twee kanten, of kan op twee manieren bekeken worden. Het perspectief van de Cubaan: no es facil en verder worden er weinig woorden aan vuil gemaakt. En dat van de toerist: het is een prachtig uniek land, het is een reis terug in de tijd. Mix de twee door elkaar en je hebt misschien een goede indruk van Cuba, een land van (schijnbare?) tegenstrijdigheden.
Ook al hingen er grijze wolken boven de stad, La Habana was er niet minder mooi om. Prachtig begevelde straten vol oldtimers en Lada´s en alles versleten en daardoor nog mooier. Van de weinige backpackers in Cuba kwam ik er eentje tegen bij het zoeken naar goedkope overnachting. Hannes en ik besloten een kamer te delen en waren net op tijd binnen voor de onweersbui. De straten waren nu nóg mooier en ik stond te springen om naar buiten te gaan, dus de tropische regenbui in. Om de hoek kwamen we meteen de befaamde straatpizza tegen, verkocht door een raam van een gewoon huis. Je moet ze weten te vinden, de plekken waar cubanen eten kopen, geen opvallende gevels met reclame, maar een klein bord met wat er te krijgen is. Het eten is hier veel goedkoper dan in de toeristische uitspanningen, want de toeristen betalen met de peso convertible (ongeveer een dollar) en cubanen met de peso cubano (ongeveer 4 dollarcent). Wat betaalbaar is voor toeristen is vaak onbetaalbaar voor cubanen, met allen een salaris van 13 convertibles per maand. Zo bestaat er een dubbeleconomie waarin de toeristen, of ze het nu willen of niet, superieur zijn. Gelukkig is het helemaal niet moelijk om aan moneda nacional te komen en kan er vervolgens eten gekocht worden waar de cubanen dat doen. Soms wordt je wantrouwend aangekeken, soms is het een mooie gelegenheid voor een praatje. Wachtend op onze pizza maakte een cubaan een praatje met ons en werden we uitgenodigd om naar zijn huis te komen. Hij troonde ons mee naar driehoog achter, letterlijk, in een bouwval. Twee vijftigerjaren fauteuils, een grote tv, een grote koelkast, minuscule keuken en badkamer, een slaapkamer op het entresol, al met al 16m2. We kregen koffie en taart, want zijn baseball-club had gewonnen, en op salsamuziek werd er een dansje gewaagd. Helaas moest ik constateren dat deze meneer zo zijn bijbedoelingen had, ook al had Hannes eerder verklaard dat ik zijn mujer was, dat vanwege enkele maanden ervaring met cubanos. Blij toen ik weer weg was uit de beklemmende situatie. We zochten de ruimte op wandelend over de Malécon, de brede boulevard aan zee met zicht op de hoogbouw in de modernere wijk. Hoge golven besproeiden het asfalt, een heerlijke plek. Heel populair bij zonsondergang. Tijd voor een mojito, toch even toerist spelen hoor. Hannes was op dreef en vertelde een cubaan die naar onze nationaliteiten (enzovoort) informeerde een heel verhaal over dat we onze three-year-anniversary aan het vieren waren in Cuba. Ik viel van de barkruk af van de slappe lach, want we waren een bijzonder ongeloofwaardig stel, maar men geloofde het verhaal, we kregen zelfs korting op de mojitos en de sigaren werden tevoorschijn gevist. Met een habanera zusterlijk aan een sigaar gelurkt voordat ik in een rum-coma viel en Hannes boven de wc hing om alles er weer uit te gooien. Bienvenida a Cuba!
Fris als een hoentje de volgende morgen op zoek naar brood en fruit. Net als iedereen in de rij, plastic zakje mee om de nauwkeurig gewogen, betaalde en genoteerde waar in mee te nemen. Nu de stad in bij daglicht. Het toeristische Habana Vieja, Unesco werelderfgoed, is mooi: een vleugje Sevilla, toefje Rome, parkjes fonteintjes kleurige gevels. Echter lang niet zo charmant en authentiek als Centro Habana, dat qua sfeer doet denken aan Lissabon. Wat mij betreft staat Havana op nummer één van mooie, sfeervolle wereldsteden, ja, de paseo del Prado is zelfs mooier dan de Ramblas in Barcelona. Een bicitaxichauffeur nodigde me uit voor een gratis ritje om toe te kunnen lichten dat niet alle cubanen hetzelfde zijn als het op vrouwen aankomt. Met enige reserve nam ik de uitnodiging aan. Nou is er een nogal strenge politiecontrole op de interactie tussen wel en niet cubanen. Als cubaan kan je een bon krijgen voor het praten en rondlopen met toeristen. Men zegt dat dit een maatregel ter bescherming van de toeristen is, maar waartegen? Cubanen zijn uiterst vriendelijk, niet aleen maar als ze je iets willen aansmeren of uit zijn op seks. Maar zoals velen wellicht weten wordt het in het openbaar praten over politiek en economie niet getolereerd. Het beeld dat de toeristen krijgen van Cuba moet natuurlijk wel picture-perfect zijn. Mijn gratis gids drukte me dus op het hart bij politiecontrole te zeggen dat we vrienden waren en elkaar al geruime tijd kenden. Met de pont gingen we naar de andere kant van de haven, waar ik nog net de prachtige oude electrische trein zag wegrijden en waar er vanaf boven op de heuvel een prachtig uitzicht is over de stad.
Het Museo de la Revolución bood de ochtend daarop weer een andere blik op Cuba. Geheel in stijl met het propaganda-blaadje dat ik eerder bij de ambassade in Managua had gekregen, kwam ik het ene na het andere commentaar op het Amerikaans imperialisme tegen. Veel grootspraak van Fidel, dus ik concentreerde me maar op de foto´s en probeerde de feiten uit de propaganda te destilleren. Ik vermoed dat Che Guevara zich zou omdraaien in zijn graf als hij zag hoe men met zijn goede, humanistische, revolutionaire ideeën aan de haal is gegaan. Maar aan de andere kant, er zijn geen analfabeten in Cuba, iedereen wordt goed opgeleid, mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig, iedereen heeft een dak boven zijn hoofd, er is eten en meestal lopend water en electiciteit. Bovendien is er geen schrijnende armoede, men heeft het krap, maar is niet arm. Cuba zet je wel aan het denken over idealisme, socialisme en vooral kapitalisme. Zodra ook maar enig commercialisme tot Cuba door zou dringen, zal ook bij de cubanen de hebberigheid ontwaken en zal het gedaan zijn met het oneindig repareren van oude spullen, met de mobiele-telefoon-vrije samenleving. Waren wij echt zo veel slechter af vijftig jaar geleden? In Cuba kan je zien dat het wel meevalt en dat cubanen veel vrolijker door het leven gaan dan wij, wat gegeven hun situatie tegelijkertijd bewonderenswaardig en vanzelfsprekend is. Het blijft echter knagen dat er voor behoud van deze samenleving een beperking van de vrijheid noodzakelijk is. Wat ik ook jammer vind is de rol van geweld. Hierdoor was de revolutie succesvol, maar de daaropvolgende verheerlijking van het geweld, de militaire optochten op het enorme geasfalteerde plaza de la Revolución, de uniformen, geven me de kriebels. Goeie kriebels kreeg ik van de rincon de los cretinos, de hoek van de sukkels, waarin Bush en andere slechteriken het ervan langs kregen. Fidel blijft sympatieker als enfant terrible.
´s Middags drongen Hannes en ik verder door tot alledaags Cuba. Coppelia is een beroemde ijssalon in Vedado, waar cubanen een uur in de rij staan om een enorme hoeveelheid ijs naar binnen te werken. We sloten aan en na lang wachten mochten we het spacy-jaren-vijftig-paviljoen in om gezeten tussen de ijsbunkerende gezinnen tot de conclusie te komen dat we lang niet zulke ijsmonsters zijn als we dachten. Na twee bakjes zaten we vol, terwijl het stel bij ons aan tafel gestaag onderweg was naar nummer vijf. Een über-cubaanse ervaring. Über Havana was het mooie uitzicht vanaf de bovenste verdieping van hotel Havana Libre. Underground was het reggaeconcert die avond: dansende rastafaris in een echt chic theater. Cultuur in alle soorten en maten staat hoog in het vaandel in de stad, geweldig, reggae in de schouwburg, sfeertje! Met een heel stel jongelingen, al dan niet uit Cuba, gingen we daarna dansen in het fort aan de andere kant van de rivier. De skyline van Havana by night en veel sterren. Is het je vrij voelen in Cuba nou echt een contradictio in terminis?
Als gedoodverfd toerist zat ik vroeg in de morgen in de toeristenbus naar Viñales. Ik wist niet of die excursie naar het platteland nou echt de goede manier was om Cuba beter te leren kennen, gezien het grote aantal toeristen. Praten met mijn buurvrouw in de bus, mede-backpacker en mede-idealist, bleek echter een goede oefening in het onder woorden brengen van onze Cuba-ervaring. Anja en ik besloten een kamer te delen en die middag togen we de paden op. Het tijdreis-gevoel bereikte zijn hoogtepunt wandelend tussen de boerderijtjes. Twee ossen voor de ploeg, bescheiden akkers, oude schuren (de pasgeoogste tabak hing te drogen), jongetjes wreed spelend met een varken, zo moet het ongeveer zijn geweest voor mijn vader als kind op een brabantse boerderij. Surreëel was de rode kleur van de aarde in contrast met de groene speldenkussen-heuvels en de blauwe lucht, alsof we ons in een film bevonden. Het meest alien van alles was de voorgeprogrammeerde manier van praten van de mensen, heel vriendelijk, maar oppervlakkig, duidelijk de diepgaandere ´verboden´ onderwerpen vermijdend. Men wilde ons graag een gids aansmeren voor de wandeling de volgende dag, maar dan moet je net twee eigenwijze dames hebben. Wij wilden lekker vrij de natuur in, moet je net cubanen hebben in een toeristische regio die zo gecontroleerd is door de staat dat ze geen idee hebben van vrijheid. Ja, Anja en ik moesten constateren dat deze toeristische idylle, in een prachtige vallei in een zonnig land, voelde als een interneringskamp. Twee nachten waren veel te kort om het vertrouwen van het gastgezin te winnen, iedereen kende elkaar in het dorp en de muren waren dun. Overal stukken hout beschilderd met Viva Fidel, Viva Raul enzovoort, aan palen getimmerd om aan te tonen dat hier slechts brave burgers wonen. Hier keek men mij al helemaal raar aan als ik wat kocht bij de peso-stalletjes. In Havana voelde ik de macht van de politie, hier was het gevoel versterkt, hoewel er vrij weinig op straat waren. We togen naar een nederzetting wat hoger in de bergen. Hier eindelijk een vrijer gevoel. De boer en zijn gezin kwamen vrijwel nooit in de vallei. Heel gastvrij werden we onthaald op de boerderij, met zelf verbouwde koffie en sap van mangos uit de boomgaard. Vanaf het erf een prachtig uitzicht over de vallei. De manier van leven in Cuba is puur, hier was het nog puurder en er kon gepraat worden zonder de gebruikelijke omzichtigheden die de gesprekken met het gastgezin verstikten. Die avond werd er eindelijk fatsoenlijk salsa gedanst, de straat vulde zich met live-muziek duidelijk bedoeld voor de toeristen, maar het was niettemin heel sfeervol op de koloniale veranda. De oudste zoon van ons gastgezin bleek een verdienstelijk danser, die beweerde dat hij nog nooit een toeriste tegen was gekomen die zo kon dansen. Dit werd genuanceerd door de hartverwarmende naïeve liefdesverklaring die later volgde, die ik heel voorzichtig afwimpelde. Het was een lieve jongen, hij wilde ook reizen, hij wilde ook een mobiele telefoon, hij kon maar heel af en toe zijn e-mail checken en illustreerde zo heel concreet wat nou precies ´niet gemakkelijk´ is voor de cubanen.
Terug in Havana had ik nog even de tijd om de stad in me op te zuigen, nog een keer wandelen over de Malecón, pizza eten op straat en er wachtte nog een heel cubaanse ervaring. Zaterdag stond in het teken van de béisbol-wedstrijd tussen Santiago en de Industriales uit Havana. Vroeg in de morgen vonden er op straat al verhitte discussies plaats tussen aanhangers van beide ploegen en er waren nog meer jongetjes dan gebruikelijk op straat in de weer met knuppel en bal. Heel belangrijk, sport (ik hoor het de vader van het gastgezin in Viñales nog zeggen, een goede indruk van de gesprekken aldaar). De eerste keer in een stadion, omgeven door dansende en druk gebarende en discussiërende cubanos. De wave ging wel vijf keer de enorme tribune rond, fanatiek is een eufemisme. De ´sport voor volk en vaderland´-teksten die in het stadion hingen werkten op mijn lachspieren, op een gegeven moment wordt het slapstick, de verheerlijking van land en revolutie. Na twee en een half uur was de wedstrijd nog niet afgelopen, maar begreep ik voldoende: het lijkt op softball en het is vrij saai om naar te kijken, want er wordt veel te goed gegooid om de ene na de andere homerun te slaan.
Een week was veel te kort voor Cuba, maar in deze korte tijd zoveel indrukken, dat een enorm verhaal op mijn blog onvermijdelijk was. Hoe ik echter ook probeer het Cuba-gevoel onder woorden te brengen, het komt lang niet in de buurt van hoe het echt voelde, dus rest mij slechts de conclusie dat iedereen nu meteen naar Cuba moet. Als je wil weten hoe het voelt om tijd te reizen, om niet meer wijs te worden uit de chaos van de -ismen die er ontstaat (zijn het nou tegenstrijdigheden of niet of tegelijkertijd? Maar veel concreter dan filosofisch, want het gedachte-experiment vind voor je neus plaats) en die bewustwording te vinden die alle reizigers overal ter wereld zoeken, ga naar Cuba. Je krijgt het zonnige weer, de goede muziek, een prachtige stad en de behulpzame cubanen op de koop toe. Sodeju, wat een pleidooi, maar sodeju, wat een land.
Continue Reading →De laatste dag van Semana Santa kwam ik aan in San Juan del Sur. Op het strand trof ik restjes mens aan, slapend in het zand na het grote feest de afgelopen nacht. Overal reclame voor het Toña-bier en de Flor de Caña-rum en gezinnen op een vierkante meter onder een geïmproviseerde tentjes van lakens en stokken. Er hing een enorme kater in de lucht. ‘s Avonds was de menigte vertrokken en de badplaats verlaten. Het was mijn laatste bestemming in Nicaragua. Nog even genieten van het land en de sfeer, echter nadat ik mijn machismo-frustraties gebotviert had op een zogenaamde open-minded Nico, die nog moervast zat in de maagd-hoer dichotomie ten aanzien van vrouwen en derhalve mijn toorn over zich afriep. (Uiteraard vallen reizigsters in de tweede categorie, vandaar het onbehoorlijke gedrag van de heren Nicaraguënses. Mijn Freudiaans oordeel is: projectie.) Daarna bijkomen met Tim (die ik vijf jaar niet had gezien en in het hostel tegen het lijf liep) en een fles(je) rum.
De volgende dag stuiterend in de pseudo-comfortabele pick-up (bankjes bekleed met matrassen) naar een nabijgelegen strand. Omdat mijn fototoestel zo zwaar en groot is, had ik het niet ingepakt. Onderweg zag ik mijn laatste kans om het Nicaraguaans dagelijks leven te fotograferen passeren. De betonnen huisjes, de golfplaten daken, de waslijnen, het prikkeldraad, de honden, kippen, varkens, de pick-up vol mensen die ik al sinds Guatemala wilde fotograferen, maar dat was nog steeds niet gelukt. Het besef veel te weinig foto’s te hebben gemaakt in dit land, zat me erg dwars. En toen was daar een prachtig surrealistisch strand, omgeven door hoge rotsen begroeid met cactussen en bomen zonder bladeren met witte bloemen. In zee een enorme rotspartij en donderende drie meter hoge golven (das pas buena onda!) en dat alles in felwit zonlicht. Een woestijnstrand, en ik had mijn camera niet bij me. De laatste indrukken van Nicaragua heb ik gretig in me opgezogen, maar het afscheid voelde overhaast. Dag chickenbus! Dag pollopollopollo, roquillasroquetes, frescosfrescosfrescos, managuamanaguamanagua! Dag iedereen die me iets wil aansmeren, al dan niet met kanten schortje! Dag enorme rij bij de grensovergang! Dag armoede…
Hola Costa Rica! Het Zwitserland van Centraal Amerika, dat is niets teveel gezegd. Nette tourbussen, de baggage gaat onderin in plaats van bovenop. De huisjes op het platteland hebben tegelvloeren in plaats van aangestampt zand. Enkele nette winkeltjes en straatstalletjes langs de weg in plaats van een pulperia met chips en snoep om de honderd meter, wat ook te merken is aan de beperkte hoeveelheid plastic troep in de berm. En tenslotte Amerikaanse toeristen die geen woord Spaans spreken. (En laat ze in godsnaam geen gebrekkige poging doen, want dat is werkelijk tenenkrommend.)
Op naar het regenwoud in Monteverde, om toch nog wat frisse Costaricaanse lucht op te snuiven. Bij de bushalte scharrelden varkens rond en het duurde lang voordat de bus me meenam over hobbelweggetjes, gelukkig toch nog overeenkomsten met Nicaragua. Bij aankomst werd ik al snel geklassificeerd als oh, het is een backpacker dus de mevrouw van de chique lodge vond me niet meer de moeite waard. De eigenaar van het Sleep Cheaper Hostel had me al snel in de smiezen, handig, maar ik voelde me dus wel zwaar gecategoriseerd. Verder moest ik constateren dat het Centerparcs-gehalte ongeëvenaard hoog was, ja, het regende zelfs. Toen ik een pizza zat te eten kwam er een groot Nederlands gezelschap binnen. Nou maak ik aan deze kant van de oceaan altijd een praatje met mijn Nederlandse medereizigers, gezellig, maar dit was wel een heel ander type reizigers (lees: vakantiegangers). Het type ‘Centerparcs of met de sleurhut naar Frankrijk, maar inmiddels kunnen we ook goedkoop naar Costa Rica vliegen’. Dus ik stouwde de pizza naar binnen en begon met mijn Spaanste Spaans een gesprek met Nikos uit Griekenland, die ik mijn nationaliteit heel zacht meedeelde.
Inmiddels is mijn oordeel over Monteverde milder. Dat komt omdat ik aan kabelbanen door en over de jungletoppen heb gezoefd, na drie meter vallen aan een touw heb geslingerd, zodoende grote hoeveelheden adrenaline heb verwerkt, een groener dan groen mysterieus in wolken gehuld regenwoud heb verkend, vlinders, kolibries, schorpioenen, vogelspinnen heb gezien en het mooiste vogelgezang ooit heb gehoord. (En een nieuw vijf jaar oud vriendinnetje heb gemaakt, Jazmin. Gezellig kletsen in het Spaans en kijken of er te spelen viel met de inhoud van mijn rugzak.) Weldadig natuurschoon op een veilige, luxe plek, dat het toerisme hier welig tiert is logisch.
Costaricenses, of tico’s, antwoorden op de vraag hoe het gaat met pura vida. Goed en pura vida zijn equivalent en pura vida is de lijfspreuk van de tico’s. Nou vroeg ik me gezien de invloed van de Verenigde Staten af of de latijns-amerikaanse identiteit van Costa Rica niet verloren is gegaan (denk aan het inhoudsloze How are you?). Costa Rica is inderdaad netjes en commercieel en legt de gringo’s in de watten. Na een paar dagen Monteverde en een paar uur in de heerlijke anonimiteit van de grote stad San José (zo had ik me alle steden in Centraal Amerika nou voorgesteld, beetje vies, lelijke hoogbouw, maar dynamisch), moet ik constateren dat men hier nog echt latino is in de positieve zin van het woord. Ik ben het er wel mee eens: pura vida!
Na een aantal weken in het gezelschap van macrameeënde hippies en kennismaking met authentiek Nicaragua was het tijd voor wat anders. Op de boot naar het grootste zoetwatereiland ter wereld kwam ik een groepje vrolijke gringos tegen inclusief 4WD, die even vakantie hadden van werk en studie in Costa Rica. De achterbank was al redelijk vol, maar the more the merrier, dus daar gingen we. Bounce bounce over het wegdek van Ometepe, met de ene hit na de andere die uit de luidsprekers knalde. Onze chauffeur stuurde met een hand en maakte met de andere hand een film van de rit langs de perfect gevormde Volcán Concepción, de groene piek van Volcán Maderas en van al het loslopend vee op de weg. Hilariteit alom toen twee varkens elkaar besprongen vlak voor de bumper. Ik werd ingelicht over de hoeveelheid drank die was ingeslagen. "Is dit nou het springbreak-gevoel?" informeerde ik. Jazeker was het antwoord en mij werd een snelcursus gringohood verzekerd.
Samen lachend en genietend van de muziek en het landschap kreeg ik al snel een idee hoe het voelt om gringo te zijn in Centraal Amerika: wantrouwende blikken van de lokale bevolking. Ik kan me heel goed voorstellen dat je als gringo dan maar je eigen feestje bouwt. Die avond stond in het teken van drinkspelletjes en we hebben waarschijnlijk heel wat andere gasten op de Finca ontzettend geïrriteerd met onze luidruchtige lachbuien. Het zit niet mee, als gringo ben je bij zowel de lokale bevolking als bij andere reizigers weinig populair. Daar staat echter wat tegenover: met z´n allen zat in de auto op zoek naar meer alcohol en naar het dichtstbijzijnde strand voor een nachtelijke duik in het meer. Wij meiden hadden ondanks de hoeveelheden alcohol onze bikini nog weten te vinden, maar het donkere strand lichtte op bij de spierwitte billen van de heren. De tak die ik van een boom rukte om in het achtergelaten vuur weer aan te wakkeren, bleek bij nader inzien een soort hefboom, maar toen laaide het vuur al op. De ene lachstuip na de andere, zo jong en onbezonnen voel ik me vrijwel nooit. We vielen allemaal als een blok in slaap.
De volgende dag zijn we heel verantwoord met zijn allen naar een hele mooie hoge waterval geklommen. Maar na al die activiteit was het natuurlijk weer tijd voor een drinkspelletje. Vanochtend zijn mijn gringos vertrokken, ik heb nu een bachelor of gringo. Het was precies wat ik nodig had, springbreak, even geen hoogdravende idealen. Ik heb nog een paar dagen om van het werkelijk prachtige Ometepe te genieten en haar perfecte symbiose van landbouw en natuur. Vandaag zat ik voor het eerst in maanden weer op een fiets. Lekker tijd voor mezelf, maar zonder gringos in mijn omgeving zijn de Nicaraguënses weer macho´s van het ergste soort. Nou ja, over een week zit ik midden tussen de gringos die Costa Rica bevolken, dus dan kan ik weer even bijkomen. Hoewel, ik ga het kameraadschappelijke gevoel met de Nica´s achter het wasbord wel missen en niet alle gringos zijn zo leuk als de mijne.
Tijdens het voortdurend nieuwe mensen leren kennen, vraag ik me zodra ik iemand wat beter ken vaak af wat nou ook alweer mijn eerste indruk was van deze persoon. Het is moeilijk deze precies voor de geest te halen, want bij nadere kennismaking verdwijnt de eerste indruk. Soms is het jammer dat deze me niet bijblijft en zou ik me bepaalde mensen liever herinneren zoals ze aanvankelijk op me overkwamen.
Het dubbele gevoel van aan de ene kant beter willen leren kennen en aan de andere kant graag de eerste positieve indruk willen bewaren, speelde afgelopen week in de nadere kennismaking met Nicaragua. De positieve eerste indruk van het land van de schommelstoel en haar vriendelijke bewoners moest enigszins genuanceerd worden. Men is inderdaad zeer vriendelijk, maar van de agressiviteit van de mannen onderling, van het in Centraal-Amerika ongeëvenaarde machismo en de conservatieve vooroordelen wordt je niet vrolijk. Op het strand was ik getuige van een wel bijzonder eenzijdige vechtpartij. Er werd iemand in elkaar getrapt, totdat ik boos brulde basta ya! Een Nicaraguaanse amigo maande me tot kalmte: het slachtoffer had vast iets stoms gedaan. Kanmenietschelen, geweld is voor hen met het cognitief vermogen van een aardappel. Waar ik ook boos van wordt zijn de geluidjes die mannen regelmatig maken als ik langsloop, ik ben geen hond!, de Nica´s storen zich ook aan deze vulgaire gewoonte.
Léon leek aanvankelijk een heel progressieve, intellectuele stad, maar dit beeld werd deels overschaduwd door nationalisme (als ik op moet staan bij volksliederen bij aanvang van een filmfestival, in het theater ja, dan gaat er iets jeuken) en de kortzichtige moraal (hippies zijn de as van het kwaad en een joint snuif je door je neus, aldus een toneelstuk, notabene opgevoerd door studenten. Hmmm, is dit de maatschappijkritische functie van het theater?). Léon is bovenal religieus, blijkt uit de vele processies die tergend langzaam door de straten trekken. Jezus met zijn kruis op de schouders gehesen omringd door een stille menigte en een kleine fanfare met valse en eveneens tergend langzame hoem…………………….pa-muziek.
Semana Santa is in aantocht en hoewel ik benieuwd ben naar de religieuze festiviteiten ga ik rustiger oorden opzoeken. Niet uit afkeer van het religieuze, het is ook indrukwekkend hoe sterk het geloof is hier en natuurlijk voel ik eerbied bij het zegen van een allerliefste Nica-oma. Maar er is geen vrijwilligerswerk meer tot en met de feestweek en na twee weken heb ik het wel gezien hier. Het is goed om een plek beter te leren kennen, het lekkere eten (panqueques con queso onder de sterrenhemel), de goede muziek, het stopwoord (¡que barbaridad!), de sport (tafelvoetbal, ja de heren zijn onder de indruk van mijn fanatieke, maar gecoördineerde spel) en de drank (Flor de Caña, de trots van Nicaragua). Maar de routine kan gaan vervelen en de heimwee kan toeslaan. Met mijn rugzak op mijn rug weet ik weer waarvoor ik hier ben en niet daar in de prille Amsterdamse lente…
Vanaf mijn Franse balkonnetje in Casa Vieja (en inderdaad, alles is oud in mijn hotelito) heb ik uitzicht op de skyline van Léon: rode dakpannetjes, een palmboom, de okergele gevel van een koloniale kerk. Het is ontzettend warm, ook onder de dakpannen, maar het is een heerlijke plek om me even te vestigen. Het is ochtend, mijn Argentijnse buurman Javier tokkelt flamenco op zijn gitaar, ik experimenteer wat in de keuken (mijn fruit-licuados zijn nooit hetzelfde) en boen mijn kleren schoon op het wasbord. Alles con despacio want van minimale activiteit ben je in deze temperaturen razendsnel bezweet en moe. Boodschapjes doen, kletsen met de marktvrouwen in hun kanten schortjes en de pogingen van de Nico´s om mijn aandacht op te eisen (ailoffjoe, tssst) negerend.
´s Middags ga ik naar school. Ik ben een nieuwe taal aan het leren, gebarentaal, als assistente van de juf help ik het klasje dove en slechthorende kleuters met taal en rekenen. Uiteraard moet er ook gespeeld worden, met drukke gebaren, iedereen heeft een eigen manier om met stemverheffing de aandacht op te eisen. Heel anders is de les die ik geef op een school buiten het centrum, in een arme wijk: dansles. In de chaos die de drukke pubers teweegbrengen kost het veel moeite de aandacht erbij te houden. Maar het thema draaien slaat aan, het is een vrolijke bende, wit met blauwe schooluniformen en witte kousjes in zwarte schoenen uitbundig draaiend en heupwiegend op salsamuziek. Helemaal uitgeput maar voldaan zoek ik na afloop zo snel mogelijk de douche op. De avond valt in Casa Vieja, na een spectaculaire zonsondergang vanaf het balkonnetje, er wordt gekookt en gegeten. In het gezelschap van vrienden uit Utila, een maatje uit Granada of de bekende gezichten uit Léon de nacht in, op naar de plek waar het deze avond gebeurt. Live-muziek of poëzie, er is iedere avond wel een plek waar reizigers, vrijwilligers en Nicaraguanen samen het glas heffen. De revolutie leeft hier nog, sandinista-liederen klinken, wat een sfeer! De verkoeling van de nacht weet slechts met mate tot mijn kamer door te dringen. Verhit wordt ik de volgende ochtend wakker, maar dan is er meer gitaarmuziek en ontbijt met licuados.
Op een avond ging de wind liggen op Utila. De kolibries togen vanaf de veranda de frisse lucht in die de regen had achtergelaten. Het was tijd om te gaan. Na een feestelijke laatste avond, verliet ik het eiland vroeg in de morgen met gemengde gevoelens.
De reis duurde twee dagen en voerde via Tegucigalpa en een omweg door de bergen naar Nicaragua. De omweg was inderdaad een mooie route en een goede kennismaking met Nicaragua. De bus werd regelmatig overladen met mensen die allerlei hapjes verkochten, meer dan in Honduras en Guatemala. De nonchalance waarmee de plastic verpakkingsmaterialen uit het raam van de bus werden gegooid was echter exact hetzelfde. Tijdens de laatste twee uur over een stoffige zandweg in droge hitte, wou ik dat ik de kortere route had genomen.
Léon, met koloniale huizen in aardetinten, was mooi in het licht van de namiddagzon. Het ruime donkere hostel was verlaten. Die nacht schrok ik wakker van wat leek op een poging om de deur van mijn kamer te forceren, het waren echter de mango´s die uit de bomen op het golfplaten dak vielen. Het was fijn om even introvert te zijn in Léon, dromend over straat, maar het gepieker over het vervolg van de reis deed me voor het eerst sinds twee maanden op mijn nagels bijten. Zes maanden leek opeens veel minder tijd dan ik me rijk gedacht had. Ik schudde mezelf wakker met het besluit om naar Little Corn Island te gaan voordat ik vrijwilligerswerk zou zoeken. Helemaal wakker werd ik van het bericht dat diezelfde avond Léon, de stad van de Sandinistas, vereerd zou worden met een bezoek van niemand minder dan Hugo Chavez vergezeld door kersverse Nicaraguaanse president Daniel Ortega.
Er heerste een feestelijke sfeer op het centrale plein. Voor de grote kathedraal had jong en oud zich verzameld, gehuld in rood en zwart en de de Nicaraguaanse versie van Lennons Give peace a chance schalde keer op keer over het plein. Af en toe schoot er een vuurpijl de lucht in. Iedere keer als het erop leek dat de heren zouden arriveren haastte men zich een ordelijk cordon de seguridad te vormen. Loos alarm en de orde verdween weer. De opwinding was geweldig om te zien en was zelfs besmettelijk. Toen sirenes aankondigden dat het eindelijk zover was en een concentratie van cameras duidde op het presidentieel gezelschap, worstelde de menigte zich uit het cordon en stormde uitzinnig op Chavez en Ortega af. Ik stormde mee, wat een enorme kick om de Latijns Amerikaanse politieke hysterie van zo dichtbij mee te maken. Maar ik wist niet of juichen nou wel zo gepast was, Chavez mag dan lekker afgeven op Bush, je weet nooit of er sprake is van corruptie on the side.
Met een klein vliegtuig vertrok ik de volgende morgen, de rust tegemoet. Het beeld van de Carribean als rustig azuurblauw water verdween voorgoed na de boottocht van Big Corn naar Little Corn. De reisgids vermeldde dat de overtocht zo nu en dan ´choppy´ zou kunnen zijn, hevige turbulentie was er echter niets bij. Stuiterend ging de panga (open boot, iets groter dan een lancha) over de golven. Drie meter omhoog betekende dat de boot na een val van drie meter met geweld weer op het water landde. Best lollig, maar ik was toch een beetje zenuwachtig. Little Corn is een droom van een eiland. Geen motorvoertuigen, maar fietsen en voetpaadjes door de junglebegroeing (ja, een ananas groeit dus aan een struik, als een bloem tussen yucca-achtige bladeren). Geen stromend water, maar een wasbak (inclusief zeepje) met een gat, zodat het zeepwater wegstroomt over het zand, en een emmer regenwater met een kommetje om water te scheppen. De kleuren zijn er werkelijk prachtig, de zee is azuurstblauw, huizen van felroze tot eigeel, een diepgroen bladerdak, tropische bloemen en een stralend wit strand, waar de palmbomen intiem overheen buigen. Het was er duur, maar het verse gemberbrood en de kokosnoot die ter plekke voor mij uit een hoge palmboom werd geplukt, waren onbetaalbaar.
Kleurig Little Corn is inmiddels verruild voor kleurig Granada. De onbewolkte hemel op de terugvlucht onthulde beneden het kolonisten van catan-achtige landschap. Stukje donkergroen bos, stukje zachtgele landbouwgrond, stukje kikkerdrilgroene rivier. Het heldere licht maakte de kleinste details zichtbaar.
Vergeleken met Léon is Granada een beetje Disneyland. Erg mooi allemaal, brede straten, prachtige nette gevels, maar Léon is echter. Vanmorgen trof ik, buiten de toeristische plekken, op de markt het werkelijke Nicaragua aan. Een beetje shabby, de kleuren wat verlopen, maar erg mooi. En zoals ik al vele malen had gehoord van andere reizigers, de mensen hier zijn ontzettend vriendelijk. Plotseling ben ik mi amor voor de marktvrouwen. Misschien vinden ze mijn verschijning, zich alleen buiten het toerisme begevend, wel aandoenlijk.
Ten opzichte van de andere backpackers, die hier toch echt meer toerist zijn dan reiziger (ze geven veel te veel geld uit, wat de prijzen explosief doet stijgen) ben ik wat meer in mezelf gekeerd. Misschien zijn ze minder leuk dan mijn vriendjes op Utila en mijn reismaatjes in Guatemala, misschien heb ik het een beetje gehad met andere backpackers. Ik vind het veel leuker wat te kletsen met de Nicaraguanen. Tijd om me even in te richten. Waarschijnlijk ga ik dat in Léon doen, waar ik kan helpen bij een muzikaal schoolproject en wellicht (of hopelijk) meer. Hier in Granada is het goed toeven, het ligt lekker centraal ten opzichte van de bezienswaardigheden van Nicaragua, maar vrijwilligerswerk vinden voor vier weken blijkt lastiger dan gedacht. Anderhalf uur per dag bij de Engelse les assisteren is een beetje mager (docent is vijftien jaar oud en leert zijn leerlingen precies die vraagzinnetjes, die al zo vaak in het Spaans tot mij gericht zijn. Gemiddeld gesprek met Nicaraguaan: waar kom je vandaan? hoe lang blijf je in Nicaragua? wat vind je van de mensen hier? hoe heet je? hoe oud ben je? heb je een vriend? ook hier in Nicaragua? Meestal wordt het gesprek kort daarna afgekapt. Zeer vriendelijk uiteraard.)
Nu ik mijn tickets voor het vervolg van de reis geboekt heb (ik ga naar Cuba!!! en daarna naar Lima) is het gedaan met de stress. Hoewel de tegenvallende prijzen me wel wat geldzorgen opleveren. Léon zal deze zorgen wellicht beter weg kunnen nemen dan Granada, so there I go. Op naar het echte Nicaragua.
Zout
Rondom Livingston heb ik het vrij droog gehouden, aan het water op een steiger in de zon, op het water in de boot, heerlijk. Onderweg naar de Islas de Bahia heb ik moeten constateren dat het maar een vieze boel is aan de noordkust van Honduras en heb ik het water gemeden. Mijn voorkeur om dichtbij, maar niet in het water te zijn, heeft wellicht te maken met het bijzondere vermogen van mijn neus om zich vol te zuigen met water, zodat ik precies weet waar in mijn hoofd de holtes zitten en hijgend en proestend me zo snel mogelijk uit het water hijs.
Dat dit enige consequenties zou hebben voor het duiken had ik me niet gerealiseerd onderweg naar Utila, het eiland in de Carribean waar iedereen komt om (goedkoop) te duiken. Enthousiast schreef ik me bij aankomst op Utila in bij de gezelligste duikschool die ik aantrof. Het theoretisch gedeelte van de cursus ging voorspoedig, ik had de duikuitrusting snel in de smiezen en zat vol vertrouwen op de boot, lekker deinend op de golven in de zon, op weg naar praktijkles nummer een.
Zoals ik geleerd had maakte ik de reuzestap het water in: masker en luchtregulator met een hand tegen mijn hoofd aan klemmend, met de andere hand om de riem met de loodgewichten en met de blik op de horizon. Plons! Verlost van het gewicht van de duikuitrusting dreef ik comfortabel in het water en bestudeerde nieuwsgierig het onderwaterleven. Geen kunst aan, dat duiken, dacht ik. Tot de oefening met het masker. Rustig door de mond ademend zou ik het masker moeten verwijderen, weer opzetten en leegblazen met de neus. Het masker ging af en binnen no-time had ik me naar de oppervlakte geworsteld, stikkend in het zoute water dat in grote hoeveelheden naar binnen was gestroomd. Een duidelijk geval van verstikkingsangst, paniek.
Daarna was het duiken niet zo leuk meer, het koraal kon me gestolen worden, het natpak irriteerde me mateloos en ik ergerde me aan het voortdurende ‘duiken is geweeeeldig’. Met tegenzin ging ik de volgende ochtend mee met mijn instructeur om de oefening onder de knie te krijgen. Rustig ademen…
Inmiddels ben ik vier duiken verder (twee tot op 25 meter diepte!), ben ik gecertificeerd duiker, spring ik zonder nadenken het water in om dolfijnen achterna te snorkelen, heb ik een schildpad, een barracuda, prachtig koraal een geweldig gekleurde visjes gezien. Vooral die hele kleine die voor de helft felpaars en voor de helft felgeel zijn, wauw! Het meerminnen gaat me steeds beter af en na afloop heerlijk opdrogen in de zon op het dak van de boot. Angst overwonnen.
Zoet
En toen brak de dag aan om het eiland te verlaten. Ik werd wakker van geruis en vroeg me af of ik de ventilator aan had laten staan. Ik schoof het gordijn opzij: regen. Grote druppels in enorme hoeveelheden. Aan een stuk door heeft het de afgelopen dagen geregend en gewaaid. De veerdienst naar het vasteland heeft de pogingen om mensen van het eiland af te krijgen gestaakt na een gevaarlijke tocht over hoge golven. De straat is een rivier en iedereen ziet er bijzonder charmant uit in regencape. Mijn verschijning in doorzichtig plastic van de Hema doet iedereen glimlachen. Het kameraadschappelijke gevoel, met zijn allen in hetzelfde schuitje, verhindert echter niet dat ik me wat chagerijnig en onrustig voel. Vastzitten op een eiland in de regen, waar alleen wat te doen is als de zon schijnt, met ontzettend veel zin om Nicaragua te verkennen is behoorlijk frustrerend. Andrew, mijn Britse divebuddy, en ik hebben uit verveling onze psychologische analyses op de duikgemeenschap losgelaten. We zijn tot de conclusie gekomen dat de cultuurverschillen in wachtgedrag niet gering zijn. Waar de twee Franse broertjes superstoned op de bank hangen en naar reggae luisteren, mij ergerniswekkend bezwerend dat ik me niet zo druk moet maken, maken de andere Nederlanders en Britten zich net zo druk en kunnen we samen lekker zeuren over het weer en ons stierlijk vervelen. Het is genoeg geweest onder water, een boot graag.
Het is geen sinecure een compromis te vinden tussen de oerGuatemaalse ervaring en het oprukkend massatoerisme. Antigua is vrij verwesterd en stond in schril contrast met de prachtige authentieke bergdorpjes rondom Quetzaltenango. Mooie stad, maar gringo-territory, dus een beetje saai. Vanuit Antigua werd ik in een luxe-toeristenbusje vervoerd naar Semuc-Champey. Ik had weinig zin in Guatemala City, dus er zat niets anders op. Overigens beviel Guatemala City me wel, onderuitgezakt in het busje. De stad, hoe vervuild ook, had iets kwetsbaars in de avondzon.
Het toeristenbusje had, net als het gewone verkeer, vertraging, waardoor ik een nacht in Coban moest doorbrengen. Het enigsins louche, maar oh zo Guatemaalse hotel, Spongebob-deken incluis (ja het stikt hier van westerse cartoonfiguren, vooral de ladingen tassen in de bus met Winnie-the-Pooh-print zijn lachwekkend, een dertigjarige vrouw met Barbie-rugzak is heel normaal) stond haaks op de bus vol (zeurende) toeristen, die de volgende ochtend naar Lanquin vertrok.
In Lanquin trof ik een heerlijk hostel aan, eigenlijk een lodge, gelegen tussen de steile junglebergen aan een riviertje. Met allemaal gezellige backpackers onder een palmbladeren dak in hutjes op palen, aan het Guatemaals bier op schommels aan de bar en het ene spelletje na het andere. Even verderop een heerlijk bergdorpje, waar huevos, arroz y frijoles (Guatemaals lekker) werden voorgeschoteld. Niet te toeristisch, maar wel van alle gemakken voorzien.
Ik wist al van tevoren dat Flores nogal toeristisch zou zijn en had me daarom voorgenomen er op een niet-toeristische manier naartoe te gaan. Tot Coban ging het goed, het minibusje zat helemaal vol, slechts de helft was toerist, maar in Coban bleek het moeilijker dan gedacht een chickenbus naar het noorden te vinden. Het was warm, het was vroeg, en ik zwichtte voor de toeristenbus. Gezien de temperaturen onderweg waarschijnlijk maar goed ook, maar ik voelde me wederom voortgedreven als vee.
Flores bleek een beminnelijk dorpje, omringd door het water, gekleurde gevels, maar inderdaad erg toeristisch en duur. Bij aankomst was ik nogal wazig en algauw was mij een sunrise-tour naar Tikal aangesmeerd. De prijs leek aanvankelijk goed, maar bleek bij nader inzien weinig kwaliteit te impliceren. Het werd licht in Tikal, onder een dik pak grijze wolken, en hoewel het gebrul van de brulapen indrukwekkend was, vond ik het heel erg jammer dat de zon niet prachtig opkwam boven de mayawolkenkrabbers. De gids was een gezellig lispelende Guatemalteco, die ons van enkele leuke weetjes voorzag, maar verder weinig informatiefs vertelde. Tikal was erg mooi toen de zon doorbrak en ik spotte zowaar een toucan, maar het besluit was: even geen tours meer. Reisgenootje Betsy en ik namen daarom de volgende dag het heft in eigen hand. In een kayak het meer over om bedolven te worden onder de babyaapjes op een plek waar geen gringo te vinden was. Ik koester al ik weet niet hoe lang de droom om met babyaapjes te knuffelen, dus u begrijpt vast hoe ik me voelde.
Verruiling van het toeristische Flores voor het rustieke El Remate, even verderop aan het meer, leek een goed idee. Het was een fijne plek, ware het niet dat de grijze wolken mijn idee van een dagje aan het meer in de zon snel overschaduwden. De reis zette zich voort via de chaos van Santa Elena (eindelijk een markt met fruit en normale prijzen, ja, ik denk inmiddels in Quetzales) in een bus die geen chickenbus was, maar er net zo goed een had kunnen zijn. Gezeten tussen de boeren, vreemd genoeg allemaal met gouden tanden, heen en weer geslingerd naar Rio Dulce.
Daar wachtte de echte deceptie: een enorme sloot, overbrugd door een grijze kolos, stinkend naar diesel, gelardeerd door het ene luxe jacht na het andere. Gringoland, weg hier. Ik begreep niet waarom iedereen zo lovend had gesproken over deze plek. Dat de zon zich niet liet zien maakte de deceptie des te erger. De warme waterval bij Finca Paraiso deed me goed, maar de volgende dag nam ik met genoegen de boot naar een plek verderop aan de rivier.
Wat ik hier aantrof overtrof alle verwachtingen. Tussen Rio Dulce en Livingston is er een prachtig rivierlandschap, met houten huisjes op palen aan het water. De jungle is er dichtbegroeid. Middenin lag Finca Tatin, een junge-lodge aan het water, waar het heerlijk toeven was op de steiger in de zon, aan een geïmproviseerde liaan met bijpassend geluid het water in zweven, riviertjes verkennen in kayak en verdwalen in de jungle.
Inmiddels bevind ik me in het toeristische maar leuke dorpje Livingston en bereid ik me voor op Caraïbische avonturen. Ik denk dat het compromis tussen de oerGuatemaalse ervaring en het massatoerisme vooral ligt in de afwisseling, ook de jungle-lodges doen me veel goed, maar het staat voor mij eens te meer vast dat genieten van een plek veel beter kan als de zon schijnt. Guatemala is op haar mooist in de zon, toeristisch of niet.
Volcan Pacaya
Nadat we in de verte een felrode lavastroom de vulkaan af zagen komen, vlogen we in een noodvaart naar boven over de zwarte gestolde lava. Niet veel later stonden we op een steenworp afstand van een enorme gloeiende hoop, die zich in onze richting voortbewoog. Echter zo tergend langzaam dat de hele zak marshmellows, vulkanisch geroosterd en wel, verorberd kon worden. Verderop stroomde de lava als gesmolten boter de vulkaanhelling af. Wat een hitte! Ik stond bijna te dansen van enthousiasme, maar een wiebelig blok gestolde lava en een van schrik geslaakte gil toonden aan dat ik het toch ook heel spannend vond. Tussen de wolken en de hete lava, een ontmoeting tussen hemel en hel. Helemaal hyper holde onze groep vulkaanbedwingers in de schemering naar beneden. In de struiken gloeiden de vuurvliegjes.
Semuc Champey
Om de grot te bereiken klommen we langs een prachtige waterval naar boven. In bikini, slechts gewapend met een kaars, waadde ik de grot binnen. Een halve meter boven mijn hoofd keek een vleermuis mij slaperig geïrriteerd aan. Hij vloog weg voordat ik hem aan de anderen kon laten zien. Algauw was het water zo diep dat we moesten zwemmen, met een arm hoog opgeheven boven het water zodat het kaarslicht niet doofde. Een hele rij kaarsjes, weerspiegeld in het donkere water, verlichtte de gewelfde wanden. De gids doofde onze kaarsen en liet ons alleen, om ons even later door een klein gat heen en een waterval op te loodsen. Dan weer klauterend over rotsformaties, dan weer zwemmend, bereikten we een binnenaardse duikplank. Twee meter naar beneden springen in een donkere poel omgeven door koud gesteente bleek veel enger dan verwacht. Ons door een gat van een waterval laten zakken, zonder te weten hoe diep het was daar beneden, was bloedspannend. Dat ik het toch gewoon deed, is volgens mij te wijten aan de enorme hoeveelheden adrenaline. Rillend kwamen we de grot weer uit, om meteen op een schommel hoog boven de rivier heen te zweven en van een acht meter hoge brug de rivier in te springen. Hoewel, dat laatste liet ik aan me voorbijgaan, er waren genoeg angsten overwonnen.
Zuigend op het zoetzure vruchtvlees dat cocoabonen omhulde, klommen we een steile helling naar boven (hoe die maya´s op het idee zijn gekomen om deze pitten uit de vrucht te halen, ze te drogen om er uiteindelijk chocola van te maken verbaast me net zozeer als hoe ze op het idee zijn gekomen om rode besjes te laten drogen en gisten, ze te roosteren, te malen om er uiteindelijk koffie van te maken). Het wegwijsbordje meende dat het 1.2 km was en anderhalf uur zou duren. Een kwartier later stonden we zwetend en hijgend boven, met een onwaarschijnlijk mooi uitzicht over het wereldwonder van Semuc Champey. Ver in de diepte hadden zich groene poelen gevormd op een blok limestone, waar een rivier woest onderdoor stroomde, een natuurlijke brug a.k.a. zwemparadijs. Beneden wachtte het koele bergwater. Bij terugkomst in het houten hutjesparadijs stonden de sterren aan de hemel en gloeiden de vuurvliegjes in het gras.
Om in San Pedro te komen is er geen andere weg dan een heel steil exemplaar met om de 20 seconden een haarspeldbocht. De afdaling in de bus leverde vooral prachtige uitzichten over het meer op, maar ook enige hartkloppingen. Arne, de Nederlandse barman van het hostel in San Pedro, vatte het idee op om samen de klim naar een mooi uitzichtpunt te wagen. Daarvoor waren we inderdaad afhankelijk van die steile weg en van een ander zeer vermakelijk Guatemaals vervoermiddel: de pick-up. Waar deze vehikels in Nederland slechts twee personen mogen vervoeren, voorin, stonden Arne en ik met zo’n twintig locals achterin de pick-up. Met de wind in de haren de berg op. En dat de ochtend volgend op de Full-Moon-Trance-Party, eigenlijk maar goed ook, want met mijn enigszins wazige hoofd was ik niet zo bezig met auto-ongelukken. Goed vasthouden aan de met fietsenbanden bevestigde rekken achterop en net als de chickenbus, is de pick-up nooit vol. De tweede etappe hing ik dus achter de pick-up, met een voet op de bumper. Helemaal klaar voor de derde etappe, de berg op, ditmaal gelukkig in de pick-up.
Na een wat avontuurlijke wandeling (Arne wist niet helemaal de weg) en werkelijk prachtige uitzichten op het meer en de vulkaan, aanvaardden we de terugweg. Het busje was vol, maar vol is niet vol, dus hop, het dak op. Gezeten tussen de kratjes lege colaflesjes over de stoffige bergweg, tot vermaak van de Guatemalteco’s (haha, een gringa op het dak!). Zere billen, maar uiteindelijk grote lol, vooral toen ik het stof van mijn kleren klopte.
Zondag nam ik afscheid van het prachtige Lago Atitlan en deed ik onderweg naar Antigua de beroemde markt in Chichicastenago aan. Eindelijk kon ik foto’s maken van wellichte de meest bontgekleurde (en meest toeristische) markt tot nu toe. Wat een heerlijke heksenketel van mensen en kippen. Ditmaal zat de kalkoen in de draagzak waar normaal gesproken een baby in hangt. Uit de manden die de vrouwen op hun hoofd dragen verschijnt iedere keer wat nieuws, meer en minder levend.
Toen mijn hoofd tolde van de indrukken was het tijd om weer op de bus te stappen. In een supervrouw-achtige actie klom ik, aangespoord door het buspersoneel, vanachter de rijdende bus in. Met de ervaringen van de afgelopen dagen dacht ik deze reis zonder zorgen te kunnen maken. Bleek deze chauffeur het allerhardst te rijden van allemaal, zoef door de bochten, al het andere verkeer met inhaalmanoevres achter zich latend. Dan is het toch moeilijk concentreren op het kiekeboespel dat een bank verder plaatsvindt of op het gesprek met Guatemaalse lotgenoten.
Antigua is eerlijk gezegd een beetje onGuatemaals. Ik mis de vrouwen in de prachtige maya-doeken, de boeren met stapels hout en mais op hun rug, die je allemaal goeiedag zeggen. Ik mis de veelgekleurde chaos en voel me wat onzeker tussen al die goedgeklede westerlingen die de stad bevolken. Ik had me voorbereid op ontbering en mijn rugzak is niet uitgerust met echte tut-spullen. Toch vind je ook hier weer de electrocuteer-douche (voor een warme douche sta je onder een douchekop waarin het water met electriciteit wordt verhit) en is het bed weer plankhard. De stad is prachtig en leent zich gelukkig ook voor avontuur. Vandaag was dat gehandicapte baby’s de fles geven en voetballen met aan de rolstoel gekluisterde jongetjes in het ziekenhuis. Morgen zal dat de beklimming van de actieve Pacaya vulkaan zijn. Bang? Welnee.