Portfolio & Blog
De cirkel is rond. Mijn reis loopt ten einde met dezelfde conflicterende gevoelens als bij mijn vertrek.
De laatste week in Buenos Aires was, zoals de laatste maand in Amsterdam, waanzinnig. Samen met mijn tangopartner van het eerste uur stortte ik me op het dansen, de muziek en de stad. Alles ter meerdere eer en glorie van de elegantie en de decadentie: de meest in vervoering brengende tango, de beste wijn, het lekkerste eten en perfect gezelschap. Helemaal gelukkig. Afscheid nemen van Buenos Aires en mijn tanguero/nieuwe boezemvriend was heel moeilijk. Het was een geweldige laatste avond, we overtroffen onszelf met oesters en champagne en een betoverende laatste dans, maar dat verhinderde niet dat we ons nogal melancholisch voelden.
Santiago de Chile is niet alleen vrij saai en gehuld in grijze wolken, maar het is vooral lang geen Buenos Aires. Met een been in nog mijn tangoschoen en het andere onderweg naar huis voel ik me droevig en blij tegelijkertijd. De cirkel is rond, ik kom terug.
Ik ben verliefd… op Buenos Aires en de tango, het was liefde op het eerste gezicht. Mijn eerste tangoles vond plaats in de prachtige jaren dertig tangozaal van de Confiteria Ideal. Er volgde een milonga en een plethora aan elegante ouderen verzamelde zich op de dansvloer om mijn tango-vuurdoop compleet te maken, een prachtig gezicht, allen dansend in omhelzing. Toen ik door een charmante oudere danser de pista op gevraagd werd, het maakt niet uit dat ik beginner ben, en vervolgens overladen werd met hoffelijke complimenten kon mijn geluk niet meer op, authentieker kan niet. Mijn tangoschoenen (zwart suede klassiek model, pure esthetiek) zijn morgen klaar en ik hoop ze de komende week uitgebreid te kunnen inwijden. Hoewel ik tot nu toe slechts een aantal straten ten oosten van de Avenida 9 de Julio ken en slechts naar één tangoconcert geweest ben (dat overigens hartverscheurend mooi was) ben ik helemaal onder de indruk van Buenos Aires. De overeenkomsten met Parijs (maar zonder Parisiens) en New York (maar minder stress) liggen voor het oprapen. Alleen vergelijken zou echter geen recht doen aan deze stad. Er wacht nog meer tango, nog meer Buenos Aires de komende dagen, onweerstaanbaar, ik geef me over…… (radiostilte)
Continue Reading →Toen mijn cowboy-avontuur erop zat, vertrok ik op ruimtereis door het surrealistisch landschap van zuid Bolivia. Eindelijk was daar de witte planeet, de zoutvlakte van Uyuni. Oogverblindend wit strekte zich uit in 360º tot aan de horizon, waar de pieken van de Andes bovenuit staken. De jeep bleef maar rijden en er leek geen eind aan te komen. Vanaf het koraaleiland Intihuasi was er een onwerkelijk mooi uitzicht tussen de cacti van drie meter door, de zon leek van boven en onder te komen. We brachten de nacht door in een klein dorpje aan de rand van de zoutvlakte, waar het gezellig kletsen was met ons gastgezin in de keuken. Met dag en dauw stapten we weer in de jeep, want er moesten kilometers gemaakt worden. Door dorre woestijnlandschappen met hier een daar een lama, een chinchilla en een plukje groen, tussen grillige rotspartijen door, met op de achtergrond prachtig gekleurde bergruggen en rokende vulkaantoppen. De flamingos waren vanwege de kou grotendeels gemigreerd, maar gelukkig waren er nog een paar in het felrode water van de laguna colorada. Ik keek mijn ogen uit.
Het beloofde een koude nacht te worden dus hout verzamelen voor in het kacheltje. Gezeten rond het vuur met glaasjes wijn en sterk verbroederden de jeep-bewoners, met alle gevolgen vandien toen we voor zonsopgang op moesten staan. De ruiten besloegen en bevroren meteen terwijl we de sterrenhemel langzaam zagen oplossen in lichter blauw. Voordat de zon over de bergen heen gluurde kwamen we aan op de stomende planeet. Blubberende modderpoelen en stomende naar zwavel stinkende geisers in de ochtendschemering, wederom onwerkelijk mooi. En toen de zon eindelijk onze koude neuzen verwarmde, was er gelegenheid voor een warm bad in een stomend meer, waarna de kou niet meer deerde. Afscheid van Bolivia en mijn medereizigers nam ik bij de groene en witte lagunes waar de vulkaan Licancabur trots bovenuit stak.
Na deze pracht en praal volgde de afdaling naar Chili en de Atacama woestijn. San Pedro de Atacama is een toeristische maar idyllische oase met adobe-huisjes en uitvalsbasis voor maan-excursies. In de Valle de la Luna waan je je echt even op de maan, door de grijswitte glans van de grillige zoutrotsen. Terwijl we door een mooi geërodeerde canyon liepen, tekende de maansikkel zich af tegen de schemerlucht. De zon ging onder en liet prachtige kleuren achter op de hellingen van de Andes.
Ter gelegenheid van de verjaardag van medereiziger Maarten toog een Nederlands drietal de zandduinen van ´s werelds droogste woestijn op om ze vervolgens weer af te surfen, pret in de zandbak part two. Mijn aanvankelijke plan om de sterren te bestuderen door een telescoop eindigde in de wolken. De hemel was betrokken en mijn geest beneveld door de verjaardagsborrel. Duizelend mijn bed in en nog steeds duizelend de volgende morgen de bus in. Door de nevels in de Andes daalde ik weer af naar de aarde. We landden in Argentinië, waar we ons stortten op het aards genoegen van goed eten en wellicht de lekkerste wijn ter wereld. Het was prachtig op de maan, maar in het aards paradijs is het ook genieten. Aan de horizon gloort Buenos Aires!
Er is geen betere plek om het dagelijks leven rustig te observeren dan gezeten op bankje op het centrale plein. Bovendien is het een uitstekende plek om te wachten op de nachtbus. Op plaza Murillo in La Paz was het een af en aan van zakenlui, terwijl een fanfare de kranslegging, ter gelegenheid van de verbeterde watervoorziening ergens in een ver weg gelegen provincie, begeleidde. Twee politici waagden een dansje. Er liep een klein meisje met een gebreid mutsje rond, dochter van een van de gelatina-verkoopsters (plastic bekertjes met rode jellypudding en slagroom). Op een gegeven moment was het mutsje weg. Op het centrale plein in Sucre speelden de schoenenpoetsjongetjes met een ballon in de schaduw van de hoge palmbomen. Hij knapte. Een van hen begon een gesprek met mij in de hoop dat ik mijn schoenen wilde laten poetsen. Beteuterd blies hij na verwoedde pogingen de aftocht. Naast mij zat een elitair echtpaar de politieke situatie te bediscussiëren. Op het bankje met uitzicht op Tarija´s decadente fontein kwam een vrouw naast me zitten, typisch Boliviaans uitgedost met een opbollende plooirok en twee lange zwarte vlechten. Haar man begon me langs haar heen te bevragen. Maar totaal genegeerd werd ze niet, ze hoefde maar eenmaal op te merken dat ze wilde gaan, of de man verontschuldigde zich en volgde haar. Het plein vulde zich met jongeren in schooltenue, wel vier giechelende meisjes pasten naast me op het bankje. Alle ogen volgden de man in de rolstoel. De duiven gingen, goed geconditioneerd, al op zijn hoed zitten voordat hij de maïskorrels tevoorschijn viste. Klapperende vleugels toen twee duiven zich de beperkte plek op de hoed wilden toeëigenen. De gelatina en flan zagen er goed uit, maar met een lange busreis in het vooruitzicht misschien beter om het niet uit te proberen.
Net als op de centrale pleinen zijn er in het busstation overal kleine stalletjes met kleine snoepjes, chocolade en chips. Met een deken omzich heen geslagen en dikke sokken in de sandalen zit de verkoopster ernaast. Een jonge moeder heeft moeite haar kroost in toom te houden: de koekjes werken niet, het kleine meisje gooit ze op de grond, ze delen samen een gelatina en het kind is weer stil.
De bus wordt volgeladen met allerlei dozen en enorme plastic tassen, zo wordt de waar hier vervoerd, en als we eindelijk vertrekken duurt het lang voordat we zonder te stoppen doorrijden. Eerst stapt er een meisje in dat op haar allerbeleefdst chocolaatjes probeert te verkopen aan de passagiers, om haar school te kunnen betalen, dan moet de chauffeur ergens nog wat regelen, even later stoppen we zodat een hele troep vrouwen en meisjes in kan stappen om brood, frisdrank en zoetigheden te verkopen en vervolgens zodat de passagiers hun maag kunnen vullen met kip in het wegrestaurant. Geen wonder dat de reis zolang duurt, maar nog voor zonsopgang komen we aan en stap ik de duisternis in op zoek naar een hostel.
Vandaag was het wachten anders dan gebruikelijk. Ik stapte op een paard en reed regelrecht een spaghetti-western in. Een droog landschap met hoge rode rotsen en groene cactussen. Een paar kilometer naar het noorden brachten Butch Cassidy en the Sundance Kid hun laatste dagen door. Het wilde westen bevindt zich namelijk nergens anders dan in zuid-Bolivia. Ik ben naar plekken gereden met illustere namen als Puerta del Diablo, Valle de los Machos en Inca Canyon, die eruitzagen als een filmset. Ondertussen voelde ik me steeds meer cowgirl naarmate ik het paard beter beheerste. In Mexico op de rug van Plata werd ik hevig door elkaar geschud, maar op de rug van mi amigo Diego kreeg ik de draf onder de knie en ben ik gillend van de pret in gallop door de vallei heen gedenderd. Goed, Zorro was het niet, maar zelfverzekerd en stoer hobbelend op mijn edel dier, Ennio Morricone fluitend, constateerde ik dat de zadelpijn deze keer uitbleef. Nog even wachten op de trein (ook al zo western), waarschijnlijk op een bankje op het centrale plein, en dan zet ik mijn Clint Eastwood-avontuur al dromend voort.
Continue Reading →Op 4800 meter klom ik op een full-suspension mountainbike. Grijnzend klom ik er op 1600 meter weer vanaf. Was het nou echt eng ´death road´? Nee hoor, want met alle bewolking kon ik slechts een stukje de afgrond inkijken. Helaas heb ik dus wat adrenaline moeten missen, maar ik ben vrolijk naar beneden gehobbeld, genietend van de rondvliegende modderspetters en het snel veranderende landschap. Eenmaal in het idyllische Coroico bleef de beloofde duik in het zwembad uit, het was een beetje koud in de subtropische yungas. Ook de volgende dag merkte ik weinig van het geroemde klimaat en was mijn inwendige situatie weer zodanig ellendig dat ik afzag van een vijftien uur durende busrit naar de amazone. Geen jaguars, roze dolfijnen en krokodillen, maar terug omhoog naar La Paz. In de zon op het koloniale plaza Murillo, de spelende kinderen en flirtende duiven observerend, maakte ik me op voor het vervolg van de reis. Lange busritten zijn onvermijdelijk hier, niet omdat alles zo ver van elkaar verwijderd ligt, maar omdat het wegdek slecht is en de bussen overal stoppen.
Een etmaal later in Sucre bleek dat ik weer parasiet-vrij was, maar kon ik een andere aandoening constateren. ´s Nachts in de bus op het altiplano was ik plotseling duizelig en misselijk geworden: hoogteziekte. De weken op zo´n 3800 meter boven zeeniveau hadden niets uitgericht, boven 4000 meter voel ik me beroerd. Die nacht dacht ik verbitterd: genoeg, ik stap op het vliegtuig naar huis. Maar toen ik die middag door de warme, zonovergoten, witte koloniale straten van Sucre liep, verdween de verbittering als sneeuw voor de zon. De stad ligt op een heerlijke 2800 meter, omgeven door een glooiend landschap met cipressen en olijfbomen. Opeens waande ik me in Toscane. Op het terras in de zon, pizza en italiaans ijs, genieten. Na enkele dagen culinaire en culturele verwennerij (ja er waren zelfs bitterballen en bossche bollen te krijgen) zag ik op tegen het hooggelegen Potosí, maar het lag nou eenmaal op mijn weg naar het zuiden.
Ook Potosí is een aardig koloniaal stadje, maar mist de allure van Sucre en de ligging tussen de kale rotsformaties op het droge en koude altiplano is ook lang niet zo lieflijk. Na enige twijfel had ik besloten toch op toer door de mijnen te gaan, veel andere reizigers hadden me bezworen dat ik dat niet moest missen. Dus ik hees me zaterdagmorgen in een overal; laarzen aan, helm met lamp op, een pláátje en bovendien heel stoer. De activiteit vond die dag plaats buiten de mijnen aangezien het offerdag was. De mijnwerkers en hun families offerden lamas aan pacha mama (moeder aarde). Het was beklemmend druk op de mijnwerkersmarkt, waar de onmisbare attributen als dynamiet, coca-bladeren (om te kauwen, tegen de honger en vermoeidheid) en het 96% alcohol-drankje verkocht werden. Het is allemaal volkomen legaal en iedereen kan het kopen. De lamas stonden er stoïcijns bij tussen de druk toeterende autos. In no-time had ik een staaf dynamiet en zilverstof in mijn handen gehouden. Na de zilverrafinaderij (denk fabriek in Nederland aan het begin van de twintigste eeuw) togen we de mijnen in. De gidsen, voormalige mijnwerkers, voelden zich klaarblijkelijk op hun gemak, lachend en kauwend op de grote bol coca in hun wang. Toen de gangen minder begaanbaar werden en de temperatuur steeg werd het mij te zwaar. Het was niet echt eng daarbinnen, maar erg benauwd en omdat er niet gewerkt werd heel stil. Het licht was oogverblindend toen we naar buiten kwamen, maar dat verhinderde niet dat ik een glimp opving van de lamas wier keel al doorgesneden was. Men stond op het punt de twee anderen te doden en in paniek maakte ik dat ik weg kwam. De fysieke walging, hoogteziekte, had even daarvoor al toegeslagen en nu sloeg ook de mentale walging toe. De bedoeling was dat we ´gezellig´ wat zouden drinken met de mijnwerkers. Ja, en toekijken hoe de beesten gevild werden zeker, nee dank je. Het was genoeg andere cultuur voor een dag. Weer die stomme vraag: waarom eet je geen vlees? Het was de laatste keer dat ik geërgerd getracht heb een antwoord te geven, ik heb besloten dat ik mezelf wat dat betreft nooit meer hoef te rechtvaardigen. De grond van de mijnwerkersnederzetting lag vol met plastic troep en ondertussen werden er dieren vermoord om de aarde gunstig te stemmen, hypocriete zooi, vol overgave heb ik mijn maag geledigd.
Inmiddels ben ik weer afgedaald naar warmere oorden. Tarija wordt liefkozend het Andalucia van Bolivia genoemd, en terecht, getuige de sinaasappelbomen (zoals in Sevilla!) en de hartverwarmende zon. Ik heb het al vaker moeten vaststellen gedurende mijn reis, maar hoe meer Europees een plek, hoe beter ik me er voel. Nederland krijgt zowaar paradijslijke trekjes. Maar voorlopig klinkt Argentinië ook erg goed: na alle Boliviaanse folklore shoppen in Buenos Aires. Nog één keertje omhoog naar de zoutvlakte en dan wachten beneden de pampas.
Wachtend op de bus naar Bolivia kreeg de gripa cusqueña me te pakken, waardoor ik met een wazig hoofd mijn pinpas achterliet in de automaat (heel on-Floor) en de energie ver te zoeken was. Drie lamlendige dagen later stapte ik koortsig de bus in en dook bij aankomst in Copacabana aan het Titicacameer snel onder de wol. Mijn hypothese dat er wellicht meer aan de hand was dan griep kreeg bijval van een Nederlandse medereizigster, ze herkende de symptomen als mogelijke parasitaire invasie. Een van de symptomen is dat je je af en toe heel goed voelt, dus ik kon Isla del Sol (de geboorteplaats van de eerste Inka, volgens de mythen) gemakkelijk overwandelen. In het felle zonlicht tekent de horizon zich haarscherp af, waardoor het lijkt of het diepblauwe meer daar in de diepte valt. Het einde van de wereld op zo’n 4000 meter boven zeeniveau. Imposant steekt er in de verte een besneeuwde bergrug boven het meer uit. Het eiland heeft iets Grieks, omgeven door helder groenblauw water en overal ezels. Maar dan kom je ergens op het stoffige pad een vrouw met bolhoed tegen en weet je weer dat je in Bolivia bent. Na een van mijn mooiste wandelingen ooit nam mijn lijf wraak en besloot ik in La Paz maar eens een dokter te raadplegen. Reizen was niet leuk in deze toestand, maar hoe gaar ook mijn hoofd, de Boliviaanse indrukken stemden me vrolijk. Om naar La Paz te komen moesten we het meer oversteken. Bus op de ene boot, passagiers op de andere. Lekker schommelend over de golven en lachen om het bolhoedje dat op de bol van een Boliviaanse bleef balanceren. Ook lachen om het bouwvallige restaurant aan de overkant dat heel toepasselijk palacio de la trucha heette (trucha = de titicaca-forel, lekker). Na een adembenemend uitzicht over La Paz daalde de bus af naar het centrum. Wat een bedrijvigheid, het is net een enorme markt, een gezellige chaotische bende.
Inmiddels heb ik mijn draai hier wel gevonden, ik struin over de markt alsof ik hier thuishoor en heb het openbaar vervoer (een bende van collectivos) in de smiezen. Ook in de zwalkende minibusjes blijven de bolhoedjes netjes op hun plaats. Enige vertraging van mijn reis bleek noodzakelijk. De dokter constateerde een hele dierentuin in mijn darmen: wel vier soorten parasieten! En ik heb nog wel netjes in restaurantjes gegeten! Deze huisdieren ben ik liever kwijt dan rijk, gelukkig ben ik over een paar dagen weer parasiet-vrij. Om een anti-climax te voorkomen spring ik daarna zo snel mogelijk op een high-tech mountainbike voor de spectaculaire afdaling van ‘death-road’. Beneden in de Yungas wachten warmere temperaturen en de Boliviaanse Amazone (lekker veel parasieten en muggen) is dan wel heel dichtbij…
De afgelopen week is mijn idealisme flink aangewakkerd, geïnspireerd door het prachtig opgezette vrijwilligersproject (de inkomsten van het restaurant gaan naar de school, waar kinderen niet alleen les maar vooral veel aandacht en liefde krijgen). Het is geweldig om te zien hoe goed deze formule werkt, maar het project is heel kleinschalig zodat het moeilijk opboksen is tegen de alomtegenwoordige armoede en het slechte onderwijs. Met stijgende verontwaardiging zag ik hoe veel te jonge kinderen veel te veel en veel te moeilijk huiswerk moesten maken en zo niet deel konden nemen aan de Engelse les of handvaardigheid. Hoe help je een kind bij huiswerk dat het niet begrijpt? Als uitleg, herhaling, voorbeelden niet hielpen en de vrijwilligers te horen kregen dat het kind een pak slaag zou krijgen als het huiswerk niet af was, dan zat er weinig anders op dan voorzeggen, enorm frustrerend. Illustrerend was het beeld van de zesjarige Maite, met potlood in haar vuistje slapend boven haar schrift. Ik had veel liever touwtje met haar gesprongen dan haar telkens te moeten aansporen haar werk af te maken. De kinderen zelf bleven er gelukkig vrij vrolijk onder, genietend van de aandacht van vrijwilligers van alle nationaliteiten. Het enthousiaste ´profe!´ en dan besprongen worden met een dikke knuffelkus, zal me nog lang bijblijven. Yuri, de initiator van het project, had die week ergens anders onrecht gesignaleerd. In het nabijgelegen politiebureau zaten veel jonge kinderen in de cel, zonder voldoende zorg en aandacht, vaak omdat er geen andere plek was voor wezen en kinderen met gedragsproblemen. Van een plek vol positieve energie verschoof mijn vrijwilligerswerk zich naar het kille huis van bewaring. Kinderen op een kluitje in een stinkend hok, beetje wezenloos op stapelbedden hangend. Geen persoonlijke bezittingen, geen privacy, geen liefde. Inmiddels is er een enthousiaste groep vrijwilligers bezig met creatieve, sportieve dagprogrammas. Eindelijk een keertje voetballen buiten in de zon.
Het is fijn om te merken hoe wijdopen ik sta voor alles, hoewel dat wel betekent dat ik bij lezing van Salman Rushdies relaas over Kashmir in opperste frustratie over wat mensen elkaar aandoen tegen mijn tranen moet vechten. Ik sta ook wijdopen voor de verhalen van mijn lieve vriendin Claire over haar spirituele odyssee en de verhalen van haar shamanistische vrienden. We hebben al veel overeenkomsten gevonden tussen hun spirituele en mijn psychologische inzichten. Het is heel bevrijdend om zonder vooroordeel hun realiteit te accepteren. Ik kom er echter eens te meer achter dat dit spirituele pad niet voor mij is weggelegd. Ik wil geen planten eten die emotionele blokkades opheffen, ik wil het zelf doen. En ik hoef niet de voortdurende staat van vrolijkheid en verlichting te bereiken. Ik sta veel liever midden in het leven, met alle emoties, met alle rationalisering, maar tussen alle andere mensen. In de hoop bij te kunnen dragen aan een betere wereld. In mijn hoofd tolt het van de ideeën. Maar idealisme is pas goed als het niet bij ideeën blijft en tot initiatieven leidt. I´m working on it.
Inmiddels is mijn reisbatterij weer opgeladen, er wacht een nieuw land, Bolivia. Een eerste kennismaking met de realiteit aldaar is dat mijn bus afgelopen nacht niet kon vertrekken vanwege blokkades bij de grens. Boliviaanse blokkades zijn berucht, maar je staat er natuurlijk nooit bij stil dat dit consequenties heeft voor jouw reis. Spannend hoor, wie weet sta ik morgenochtend wel vast bij de grens. Ik kan niet wachten op de Boliviaanse realiteit.
Continue Reading →Wandelend door de zonnige straten van Arequipa kon ik het niet laten het vrouwtje te fotograferen dat in kleurige rokken kleurige poppen verkocht. Voor ik het wist had ze me een gebreide pop aangesmeerd, compleet met kind en lama. Meestal als men me iets probeert te verkopen zeg ik net zo lang no gracias totdat ze hun heil ergens anders zoeken, maar deze dame raakte al heel snel de gevoelige snaar, te weten zelfgebreid. Mijn pop is de vertegenwoordiging van Peru. Peru is namelijk heel poppig. Met Cuzco, voormalige Inca-hoofdstad, tegenwoordig toeristisch epicentrum, als hoogtepunt. In de charmante straatjes tref je vrouwen en kinderen aan in poppenkleren in alle kleuren van de regenboog, die je proberen te verleiden tot een foto voor een fooi. Ik ben hier een wandelend dollarteken. Als ik er even genoeg van heb, trek ik me terug in de kussens van het poppigste restaurant ter wereld. In Yanapay eet en drink je tussen stapels speelgoed en ben je een hele middag zoet met verkleedkleren en kleurkrijtjes. Een heerlijke regressie-sessie en een goede plek om geweldige mensen tegen te komen. Net als afgelopen zomer in Granada (Spanje) heb ik een kamertje in een allerliefst buurtje op de berg. ´s Avonds is er een sprookjesachtig uitzicht op de omliggende bergen met zilveren en gouden lichtjes.
Sprookjesachtig wordt mysterieus in de nabijgelegen heilige vallei van de Inca´s, ondanks de stroom toeristen. Je treft er mensen aan die uit gewoonte de prachtigste kleren aantrekken, niet alleen voor de toeristen. Net als in Arequipa en Cuzco zijn er overal markten waar kleurige stoffen, aardewerk en andere souvenirs aan de toerist worden gebracht. De nering concentreert zich rondom de trekpleisters, soms tourist-traps maar meestal de moeite waard. Niet echt budget-vriendelijk maar werkelijk schitterend is Macchu Picchu, hoog gelegen boven de heilige rivier tussen de groene pieken. De Inca-stad is vrijwel geheel intact, lekker dwalen door de steegjes, huizen, tempels en verstoppertje spelen. Op sommige plekken zijn de oersterke Inca-muren gebruikt om koloniale kerken en kloosters op de bouwen, maar de katholieke kolonisering heeft de mysterieuze natuurreligieuze sfeer niet weten te verdringen. De positieve energie die ik hier en daar aantref verleidt tot de aanschaf van souvenirs. Of misschien was het wel andersom: ik was helemaal blij toen ik eindelijk de witte chuyo tegenkwam waar ik al een tijdje naar op zoek was. Mijn sneeuwpop-outfit is nu compleet, niemand weet me straks te vinden op de zoutvlakte in Bolivia. Maar vooralsnog blijf ik plakken in Cuzco, want ik heb een heel poppig vrijwilligersproject gevonden: knutselen en knuffelen met kleine cusqueños. Het is moederdag vandaag, een hele happening hier, ik denk dat ik mijn pop mamá noem. Ze mag vanavond mee in bed.
Continue Reading →Het afscheid van Centraal-Amerika voelde wat overhaast, vliegtuig bus vliegtuig en ik bevond mezelf in het zuiderlijk halfrond. In het vliegtuig van Havana naar San José, kreeg ik nog een vleugje El Salvador mee: vader, compleet met sombrero, en dochter kwamen naast me zitten. Geweldige mensen, het was de leukste vliegreis tot nu toe. In San José was het contrast met Cuba wel erg groot. Er kon alleen gegeten worden in MacDonalds, Burger King of Pizza Hut voordat ik op de nachtbus naar Panamá stapte. Na een verschrikkelijk lange reis en veel te veel gezeur bij de douane, bleek Panama City een verademing. De prachtige oude wijk Casco Viejo wordt voor een groot deel omgeven door een baai. Ik kon heerlijk uitwaaien in de pacifische wind en het naderend regenseizoen ruiken. Het uitzicht op de metropolitische skyline aan de ene kant en de enorme brug over het kanaal aan de andere kant deed me het wel heel korte verblijf in Panamá betreuren. Dat men overal erg vriendelijk was, deed daar nog een schepje bovenop. Maar de volgende ochtend vertrok mijn vliegtuig naar Lima en ik zat erin.
Nou is Peru net zo Latijns-Amerikaans als alle andere landen die ik heb bezocht, maar toch was het behoorlijk acclimatiseren de afgelopen week. Zowel aan de grote variëteit aan temperaturen, als aan de bizarre landschappen en de Peruaanse keuken. Lima is vooral grijs: waar de smog ophoudt beginnen de wolken, wat de stad in een groezelig licht hult. Het landschap aan de kust is een dorre, rotsachtige zandmassa, die mij ertoe deed besluiten zo snel mogelijk de bergen op te zoeken. De tussenstop in een oase in de woestijn bleek een aangename verrassing. Het was een oase zoals ik me die als kind voorstelde: waterplas met palmbomen, een plukje groen omgeven door enorme zandduinen met een perfecte vouwlijn (ja, zelfs met je neus er bovenop zijn ze haarscherp). In de schemering togen we met een buggy de woestijn in, een achtbaan-ervaring in een ontzagwekkend landschap. Op mijn buik met een sandboard van een honderd meter hoge steile zandhelling af. Broekzakken en sokken vol met zand en een knisperend gevoel tussen je tanden. De ultieme zandbakpret.
Van spelen krijg je honger, dus ik ging de Peruaanse keuken verkennen. Erg lekker, maar toen ik diezelfde nacht met een buitenproportionele allergische aanval in het dorpsziekenhuis lag, moest ik toegeven dat er wel wat mis mee was. Het ziekenhuis was een buitengewone toeristische attractie: ik mocht na de diagnose hijgend en wel aan de overkant van de straat de medicijnen kopen en toen die niet aansloegen werd ik met infuus naar een bed verplaatst op een slaapzaal met stervende oude vrouwtjes. Een verschrikkelijk deprimerende plek, versleten bedden op een kluitje en een horror-toilet. De volgende ochtend constateerde ik al snel dat mijn ogen niet meer opgezwollen waren en lag ik vervolgens drie uur te wachten totdat de dokters hetzelfde kwamen vaststellen. Toen ik eindelijk ontslagen werd, kreeg ik van de dokter een waslijst met wat ik allemaal niet mocht eten de volgende tien dagen. Dat kwam erop neer dat ik op een rijst-dieet werd gezet. Op deze manier kon ik de malaise slechts deels achter me laten door halsoverkop de bergen in te trekken.
Arequipa is een mooie stad met elegante koloniale straten en parken en op de achtergrond bergen met besneeuwde toppen. Daarnaast is het de uitvalsbasis voor trektochten door de Colca Canyon, het rijk van de condor. Ik voelde me fit genoeg voor een bergwandeling en er zou rekening gehouden worden met mijn dieet, dus gaan (zonder banaan, helaas)! Natuurlijk niet zonder nieuwe alpaca-trui, want het is fris in de bergen. Over een prachtige kale hoogvlakte met hier en daar een lama, reden we naar een van ´s werelds diepste canyons, waar de tradities van de Andes goed worden bewaard. Vrouwen gekleed in kleurig geborduurde stoffen vulden druk kletsend het gangpad van de bus met enorme tassen vol toeristische waar. In het dorp holden kinderen met rode wangen van de bergzon tussen de kleine stenen huisjes door. We daalden af naar een dorpje beneden in de canyon, slechts te voet of per muilezel te bereiken. Uitgeput kwamen we na zonsondergang aan. Coca-thee drinken bij het vuur waarboven gekookt werd.
Het was die nacht volle maan en de canyon was betoverend verlicht terwijl ik op en neer ging naar het toilet. De Cubaanse revolutie hadden mijn ingewanden nog weten te onderdrukken, maar de wraak van de Inca´s was oppermachtig. Letterlijk leeg en zonder enige slaap aanvaardde ik de volgende dag de weg terug: drie uur omhoog, ruim duizend meter. Een bad in de oase, met de wanden van de canyon indrukwekkend boven ons uittorenend, deed me goed, maar tot deze klim bleek ik eigenlijk niet in staat. Ik heb het gehaald, zonder muilezel. Dat was echter op een voorwaarde: nooit meer.
Vandaag heb ik condors rakelings langs zien vliegen en inmiddels vind ik geacclimatiseerd een nogal eufemistische term om mijn verhouding tot Peru uit te drukken.