Portfolio & Blog
Resumen: Este artículo presenta la noción de efecto bucle propuesta por el filósofo de la ciencia Ian Hacking, para analizar cómo el conocimiento psicológico al clasificar las actividades y atributos de las personas, modifica la forma en que las personas se piensan a sí mismas, lo que resulta a su vez en una alteración de lo estudiado, lo que requiere de nuevo conocimiento. Este efecto determina una pauta de interacción particular entre la disciplina y su público, lo que impone condiciones específicas a la hora de producir conocimiento sobre el humano. Se ordenan el conocimiento psicológico en función de diversos tipos de clases humanas y se discute la distinción que Hacking realiza ellas y clases naturales, en función de cómo el historiador de la psicología Kurt Danziger concibe el desarrollo de las categorías psicológicas. Finalmente, se proponen lineamientos para proseguir el estudio de los efectos bucle en los conocimientos psicológicos.
Palabras clave: Clases humanas – Prácticas psicológicas – Historia
Efectos bucle en las categorías psicológicas: una exploración. Psiencia, Revista Latinoamericana de ciencia psicológica, 2010, 2(2): 114-121. (LOOPING EFFECTS IN PSYCHOLOGICAL CATEGORIES. AN EXPLORATION)
Continue Reading →Spiegeloog, nummer 335, jaargang 38, September 2010
Wat is de psychologie? Ik zat nog net op het andere halfrond toen mij het nieuws ter ore kwam dat het vak persoonlijkheidsleer uit de Amsterdamse psychologiepropedeuse zou verdwijnen. Het artikel van Georges Canguilhem[1] uit 1956 waarin deze vraag werd gesteld, gelezen door alle eerstejaars aan de universiteit van Buenos Aires, kwam meteen in me op. Ik ben er pas mee in aanraking gekomen jaren na de afronding van mijn studie in Amsterdam, tijdens mijn historisch/filosofische onderzoekingen verbonden aan de psychologiefaculteit aldaar. Canguilhem onderzocht niet alleen biologische maar ook psychologische kennis op wetenschapsfilosofisch wijze. In zijn artikel concludeert hij dat de psychologie twee kanten op kan. Hij situeert haar aan de Sorbonne in Parijs en schetst haar weg omhoog, naar het Pantheon van de filosofie, of naar beneden, naar de préfecture de police, in een woord misschien ‘de norm’. Ofwel biologisch ofwel statistisch. Chargeerde hij of had hij een punt?
Er zijn redenen om aan te nemen dat gebouw A geen hoge pet op heeft van het Pantheon. Althans, de filosofie wordt er steeds marginaler. Eens werd mij gezegd niet te filosofisch te zijn in mijn psychologische verslaggeving, want ‘daar houden we hier niet zo van’. En nu is er volgens mij een mooi filosofisch getint onderdeel uit de propedeuse verdwenen. Natuurlijk moeten er zoveel mogelijk eerstejaars doorheen geloodst worden. Er kan toch weinig aan gedaan worden dat psychologie het melkkoetje van FMG is, wat weer het UvA melkkoetje is, wat een instituut is dat tegenwoordig ‘gemanaged’ wordt. En niet zomaar gemanaged, maar onder steeds strakker onderwijsbeleid van de overheid. Om echter de verantwoordelijkheid voor het verdwijnen van persoonlijkheidsleer daar te leggen voert mij te ver. In democratische context spoort het veeleer aan tot kritische zelfreflectie.
Welnu, mijns inziens is er een deel van onze psychologische historie en theorievorming teloorgegaan. In het tweede jaar blijft alleen nog het vak Grondslagen van de Psychologie staan. Ik weet niet hoe dat er nu voor staat, maar in mijn tijd stelde dat betrekkelijk weinig voor. Vooral in verhouding tot de kwaliteit van het werk dat er tegenwoordig verricht wordt in de geschiedenis en kennisleer van de psychologie. Verdieping in deze gebieden, waarvoor ik uit ben geweken naar wijsbegeerte en zuidelijke hemisfeer, leert dat veel geschiedenisonderwijs neerkomt op het inburgeren van nieuwe leden in de discipline. Dit scherpt het kritisch vermogen van psychologen ten opzichte van de eigen discipline niet bepaald. Er wordt een rechte en vrij eenduidige lijn geschetst van onze wetenschappelijke voorvaderen tot nu. Dat historische ontwikkelingen überhaupt niet zo ordelijk verlopen, dat er machtsstrijd is geweest tussen verschillende benaderingen en geldingsdrang de boventoon heeft gevoerd, dat blijft vaak buiten beschouwing. Het beeld dat we krijgen is dat van een jonge maar veelbelovende wetenschap die de worsteling uit haar beginjaren heeft doorstaan, en waarin we steeds degelijkere kennis tot de onze mogen rekenen. Naar de literatuur uit vroeger tijden mag men dan ook liever niet verwijzen, alsof men de mens nu beter kent dan vroeger. Voor historici van de psychologie is echter zoveel duidelijk: we kennen de mens steeds op andere manieren en spelen daarbij mee op het grotere maatschappelijke toneel. Ligt de nadruk daar op de productieve mens, dan is de mens voor de psychologie ook vanzelfsprekend een productief wezen. Worden er rekenmachines ontwikkeld dan lijkt het menselijk verstand op een rekenmachine, zijn het computers, dan slaat ook de mens aan het informatieprocessen, zijn het gekleurde plaatjes van het brein, dan is de mens zijn brein.
Om een lang verhaal kort te maken, we leren als psychologen op bepaalde manieren naar de mens kijken. Verdwijnen er theoretische verhalen dan verdwijnen er manieren om naar de mens te kijken en blijft er langzamerhand een verhaal over dat geldt als de standaard. Het lijkt erop dat Canguilhem het al aan zijn water voelde: biologie en statistiek zijn de psychologische strijdkleuren. Echter naast dit ene verhaal zouden nog een heleboel anderen kunnen bestaan. Als dit verhaal zichzelf blijft bevestigen krijgen we helaas het verkeerde idee dat het vanzelfsprekend is, of dichter bij de waarheid of zelfs noodzakelijk waar. Maar nee, het is een waarheid, het is een manier van kijken naar mensen, niet dé manier. Door mensen heenkijken leer je bij psychologie op een bepaalde manier, of je werkelijk door hen heenkijkt, of dat het überhaupt kan, is een ander verhaal. Op dat wijsgerige terrein vol twijfel begeven veel psychologen zich liever niet, waarschijnlijk zijn ze daarom sinds de afsplitsing van de filosofie (die zich ongeveer voltrok toen Canguilhem aan de bel trok) hardnekkig richting de Seine aan het bewegen.
Nu heeft eenieder recht op zijn eigen ontdekkingstocht door Parijs. Maar misschien is het met het verdwijnen van persoonlijkheidsleer tijd voor een waarschuwing, of slechts voor het bijstellen van het verwachtingspatroon. Zij die psychologie studeren om mensen te kunnen doorzien, raad ik aan zo snel mogelijk hun biezen te pakken. Letterlijk, want van door de wereld reizen, van de mensheid in al haar veelheid leren kennen, leer je dat veel beter dan uit een boek. Dat onze vrij geïsoleerde vormen van universitair onderwijs ons op zouden moeten leiden tot een sociaal beroep of voortrekkersrol in de samenleving is eigenlijk vreemd. Bovendien leer je door verschillende culturen heen dat de mens zo divers is dat een eenduidig wetenschappelijk verhaal erover opstellen vrijwel onmogelijk is. Goed, je leert van vurende neuronen, maar wil je met iemand communiceren dan heb je daar niet zoveel aan. Andere mensen leren kennen is veel betekenisvoller: je wilt weten van gevoelens en ervaringen, je wilt de mooie verhalen horen, je wilt ze begrijpen. Dat gebeurt veeleer op het niveau van taal en cultuur dan op neurotransmitterniveau. Zij die verwachten zeer goede kritische en academische vaardigheden op te doen moeten zich realiseren dat dit zal gebeuren binnen de grenzen van de psychologie, een bepaalde manier van naar mensen kijken. Vooral begrensd als een bepaalde psychologisch benadering het canon gaat overheersen. Wil men daarbuiten treden dan kan men beter richting Pantheon. Maar goed, dat is slechts mijn verhaal en terugkoppeling van een ontdekkingstocht. En als zelfs de verhalen van Rogers en Freud en James niet meer interessant genoeg zijn voor propedeusestudenten, wat is mijn verhaal dan waard? Een droom of verhaal interesseert toch geen psycholoog meer?
Floor van Alphen, MASc
Meer zelfreflectie? Enkele aanraders:
-Bowker, G. C. & Star, S. L. (2002). Sorting things out: Classification and its consequences. Cambridge, MA: The MIT Press.
-Danziger, K. (1990). Constructing the subject: Historical origins of psychological research. New York: Cambridge University Press.
-Danziger, K. (1997). Naming the Mind: How psychology found its language. London: Sage.
-Dehue, T. (1995). Changing the rules: Psychology in the Netherlands 1900-1985. Cambridge: Cambridge University Press.
-Hacking, I. (2002). Historical Ontology. Cambridge, MA: Harvard University Press.
-Rose, N. (1996). Inventing Our Selves: Psychology, Power and Personhood. New York: Cambridge University Press.
-Rose, N. (2006). The Politics of Life Itself: Biomedicine, Power, and Subjectivity in the Twenty-First Century. Princeton NJ, Princeton University Press.
[1] Georges Canguilhem: Qu’est-ce que c’est la psychologie? Op het Collège Philosophique, 18 december 1956. Gepubliceerd in Revue de Metaphysique et de Morale, 1958, 1; herziene versie in Cahiers pour l’Analyse, 2, maart 1966.
… looping effects or myriad ways of a psychological category
Thesis MA Philosophy of Science, University of Amsterdam
Supervisor: Prof. dr. ir. Gerard de Vries
According to Ian Hacking human kinds, or the kinds found in the human and social sciences, perform looping effects. Human beings are not indifferent to their scientific classification, and with their subsequent reaction the classification changes. Psychology too is supposed to be subject to these effects that make scientific knowledge appear capricious. However, a closer examination of a prototypical psychological category but atypical human kind, creativity, suggests that looping effects might not occur throughout psychology. The scientific classification of creativity has not been very successful, due to its heavy historical and cultural burden. Yet, for being overloaded with value, it can hardly be denied that creativity is a human kind. Kurt Danziger’s approach of psychological categories suggests that they are value laden human kinds not only for looping but also for their derivation from the cultural and historical context. This approach seems more appropriate than Hacking’s in the case of creativity. Also because it acknowledges the difference between applied and fundamental psychology. As illustrated by creativity, looping effects occur for applied psychological categories, however not for their fundamental counterparts. This has some interesting philosophical and psychological implications.
Yellow-Red-Blue, Kandinsky (1925) Centre national d’art et de culture Georges-Pompidou, Paris
“Human kindness is overflowing. And I think it’s going to rain today.”
-Randy Newman
“Obviously we could have failed to be successful scientists.”
-Ian Hacking
De Psycholoog, juli – augustus 2010, p. 57
Wat hebben Pieter Vroon en een tango van Astor Piazzolla met elkaar te maken? Vlak voor mijn vertrek naar Buenos Aires struinde ik de Amsterdamse psychologiebibliotheek af en vond een vergaan exemplaar van Weg met de psychologie uit 1976. Op de kaft de schreeuwerige spandoeken uit woeliger tijden. Ik sloeg een willekeurige pagina open en las ‘psychologie [is] een hyperverantwoordelijk vak dat bovendien nooit af komt doordat zij haar object voortdurend verandert’ en wist dat dit boek voer was voor een naar de wetenschapsfilosofie gedeserteerde psycholoog zoals ik. Bij de uitleenbalie bleek er iets vreemds aan de hand te zijn en Weg met de psychologie mocht de bibliotheek niet verlaten. Ik grapte met de bibliothecaresse dat Vroon de situatie vast lachwekkend zou hebben gevonden.
Continue Reading →Cognitive psychology at the University of Buenos Aires (July 2009, Instituto de Investigaciones, Facultad de Psicología, Universidad de Buenos Aires)
Cognitive psychology, as the theoretical framework for studying mental processes and criticism of behaviorism[1] that developed in the 1950’s in the U.S., was only recently received at the University of Buenos Aires (UBA). This institution is vital to the image of psychology in Argentina, an image that is mainly psychoanalytical. Within this particular academic context, cognitive psychology has been struggling for its acceptance and is very slowly becoming a little more popular. In an interview Dr. Carlos Molinari Marotto, Dr. Silvia Español and Dr. Gustavo Eduardo González, teachers and researchers at the UBA, reflected upon this development to which they have been contributing. Based on their information an attempt is made to explain cognitivism in Argentinean context.
Cognitive revolution in Argentina
When in 1983 the dictatorship in Argentina came to an end, democracy was re-established and so was academic life. Investigation had hardly been carried out during the dictatorship that had started in ’76. There was some education – Carlos Molinari studied at the UBA from ’79 to ’84 – but hardly any students. Fear of being called subversive, what for the military government meant terrorism and thus needed to be exterminated, smothered intellectual life. Many students disappeared and many people fled from Argentina.
It was within the reorganization after the dictatorship that cognitive psychology as the theoretical framework from the U.S. entered the UBA[2]. The arrival was an institutional matter. The contest held in 1985 to fulfill the position of head professor in General Psychology was won by Aníbal Duarte. The ’72 UBA graduate came back from studying in the United States in ’83 and accepting his new position proclaimed a “revolution”. He announced the arrival of cognitive psychology. “At long last”, because this had happened in the United States some thirty years before (González, 2007).
The team of teachers that under direction of Duarte designed the new program for General Psychology consisted of Federico González, Gustavo González, José Humberto Fernández and Alba Mustaca. The program was taught for the first time in the second ‘cuatrimestre’ of 1986.[3] It was inspired upon “the state of the art cognitive psychology that had already established itself internationally as the methodological and conceptual base for investigating mental functions”. The program of General Psychology no longer required passing through the history of psychology. It was now geared towards “skills for investigating basic psychological processes” (González, 2007).
However, only half of the psychology students were taught General Psychology according to state of the art cognitive psychology. Gustavo González talks of a political and academic mistake made by Aníbal Duarte: letting his predecessor José Töpf, popular among students, hold a parallel chair of General Psychology. General Psychology remains divided in two chairs. Students can choose either for the cognitivist approach or the cultural psychological approach inspired by Vygotsky as taught in General Psychology “II”. González mentions that General Psychology “I” has been the only obligatory course within the basic curriculum mentioning the investigation of basic psychological processes. The limited amount of opportunities to introduce students to cognitive psychology was not the only reason for its slow development. Lack of interest and resistance by students played an even more significant part.
Ideological enemies
The first couple of years meant a struggle for what Carlos Molinari considers to be “an island” in UBA psychology. This was primarily because the Duarte cognitivist group was ill received by students. “We were ideological enemies,” says Molinari. The fact that cognitive psychology was based in the United States for the students implied some sort of psychological imperialism. According to Gustavo González it was hard to make the students understand that cognitive psychology was different from behaviorism, a practice that was already considered to be very conservative both scientifically and politically. While cognitivism in the U.S. is conceived as a critique of behaviorism, in Argentina they were strongly associated with each other. Given behaviorist Alba Mustaca’s early cooperation with the Duarte group, on an institutional level this association did make some sense. González, however, mentions the mixing of politics and ideology with academic standards as the main reason for this association. Whereas this mixing happens less obviously in the U.S. and in Europe because there scientific neutrality is pursued, in Argentinean public academic life a clear ideological choice was made. Public universities in Argentina have always been communitarian, which according to González explains the presence of ideologies concerned with common man’s best interests. The UBA in particular has a progressive profile, that in the decades before the dictatorship was even revolutionary and associated with left-winged militant activism. This profile in the wider Argentinean political context meant not merely socialism, but a fight against imperialism both in an economical and a cultural sense. At the UBA it also meant resisting against behaviorism and cognitivism, seen as a part of U.S. imperialism and conservative ideology. Within the U.S. cognitive psychology is presented as politically neutral[4], but in another country with different politics it is interpreted otherwise.
The academic-ideological blend had caused a success rather than a struggle for psychoanalysis[5]. Psychoanalysis was associated with progressive political movements, was considered subversive and was favored by many students. Before the dictatorship, especially in Marxist and critical circles, it was already popular and afterwards, seen as a part of political resistance against the military government, it was even more successful. At the University of Buenos Aires, and most of the other public universities in Argentina, the dominant approach in psychology still is psychoanalysis. The story of its success is also the story of the marginality of other psychologies, especially cognitive psychology for its problematic dialogue with psychoanalysis.
In short, cognitive psychology’s poor or nonexistent exchange with psychoanalysis, its connections to supposedly more conservative behaviorism and Northern America imperialism did not do its reception at the UBA any good. Even though the small cognitivist group was working hard to make new information available for students and trying to get them interested[6], very few students remained to join their enterprise.
The whole General Psychology I program had to be built from scratch. Duarte had personally subscribed to a couple of important journals to become familiar with and keep up with cognitive psychology, such as Cognition, Experimental Psychology and Psychological Review. Confronted with new material for discussion from abroad, the chair reunions were quite polemic. Every member of the group studied and taught a particular subject. Duarte allowed them to teach whatever they could, based on their simultaneous research on the subject. Silvia Español praises the intellectual climate that Duarte created. She joined his group in 1986. Her subject being language, which implied teaching about Chomsky, she didn’t encounter too much resistance from the students. “Chomsky was more appreciated because of his ideological involvement. This made it easier to introduce cognitive psychology”. According to González, once the students realized that cognitive psychology was more similar to the work of Piaget than it was to Watson, their resistance diminished. He also mentions the development of neighboring philosophy of mind and the changing perception due to advances in computer technology as reasons why people gradually opened up to cognitive psychology. Molinari has seen students’ critical preconceptions diminish and the association with behaviorism disappear over the years. Nevertheless, cognitive psychology has just one academic chair and remains small compared to the numerous big psychoanalytical chairs.
Cognitive studies
Now educating students was not the only quest for the cognitive psychologists at the UBA. In accordance with the emphasis in cognitive psychology, experimental investigation was enhanced. In 1988 the programa de estudios cognitivos (program of cognitive studies) was created. In the first Anuario de Investigaciones (Yearbook of investigation in psychology) published in 1989, it is explicitly mentioned. About the preceding years only some quantitative information about the psychology research can be found. The program was not mentioned in the UBA research report Programación UBACyT 1988-1990. In this report it appears that most scientific activity and financing happened in biology, medicine, and pharmaceutics, in technical and exact areas. Investigation was scarce and financing lowest in the area of humanities. In social sciences and psychology an increase of the number of investigations can be witnessed. The number of registered investigations in psychology went up from 9 in ’87 to 15 in ’88 / ’89. Ten of these projects were new, five were in continuation. Among these investigations were one neuropsychological project and some in the tradition of Piaget, but none in cognitive psychology as such. The first research grants within the program of cognitive studies were received in April 1989. Silvia Español got a CONICET[7] perfection grant (beca de perfeccionamiento) for her project about text comprehension. Ricardo Minervino got a CONICET initiation grant (beca de iniciación) for his project about reasoning by analogy. The ’89 research yearbook reports lots of unsubsidized projects: two by Español and Duarte, three by Humberto Fernandez (implicit memory and selective attention), two by Federico González (simulation and evaluation of cognitive processing) and two by Gustavo González (cognition and vocational election).
In the early nineties, years of economic recovery in Argentina, more sources became available for research. In 1992 the faculty started to buy many psychological journals and the library started expanding rapidly. Duarte no longer had to buy the journals himself. Also, less research had to be carried out voluntarily. Starting in 1991 UBACyT[8] subsidies for students and researchers became available. In the ’92 / ’93 research yearbook, the first five members of the cognitive studies program who had won an UBACyT scholarship are mentioned. Two were coordinated by Duarte and three coordinated by Federico González. It concerned one perfection grant, two initiation grants and two student grants. Only two projects remained unsubsidized.
When Carlos Molinari joined the cognitive studies program and the General Psychology I chair in 1993, the development of cognitive psychology at the UBA had already accelerated. He was one of the first researchers to present their work at the first Jornadas de Investigación (psychological research congress at the UBA), held in December 1994. With Español and Duarte, Molinari started the first cognitive studies UBACyT project about anaphoric comprehension in 1995. In ’96 the first Revista del Instituto de Investigaciones (Journal of the psychological research institute) was published, and thus enhanced publication of research. More students with talent for research were attracted to join. Gradually the program received more subsidies and grants. From its foundation in 1988 until now the program of cognitive studies has received nine research subsidies (both CONICET and UBACyT) and seventeen scholarships have been given to its members (UBACyT, CONICET, the Argentinean ministry of education and FOMEC[9]). At this moment at the program of cognitive studies four UBACyT research projects are in course. Even though there’s plenty of room and funds available for research, according to Molinari experimental research still frightens students and the program grows slowly. At the end of the nineties a project was initiated to expand cognitive psychology’s education and attract researchers.
Masters of cognition
The nineties had been accommodating to the cognitive psychologists. In the course of the nineties more optional subjects in cognitive psychology were offered and in 1999 the program started organizing a cognitive psychology master. The new millennium, however, came with adversities. Due to the economical crisis, escalating in major riots and political chaos at the end of 2001, resources were limited. The psychology faculty, for example, had to stop buying international psychology journals. Nevertheless, the cognitive psychology maestría[10] was launched in 2003 by Español, Fernández, Minervino and Molinari, under direction of Gustavo González. Its objectives are “transmitting what is currently known about basic cognitive processes of the human mind, transmitting the knowledge produced in other disciplines gathered under cognitive science, such as philosophy of mind and neuropsychology and thus stimulate investigation of cognitive functions”. Aníbal Duarte had assisted the creation of the master, but meanwhile gradually withdrew from academic life. Gustavo González replaced him as head professor of General Psychology. The latter mentions that this year (2009) there have been 70 applicants for the master and that this means a great increase of interest. Fifty percent of the students are from abroad, mainly from Latin America. The master program is unique for Argentina, even though at other universities, especially private universities, cognitive psychology has been more strongly advocated than at the UBA.
Dispersion or isolation of cognitive psychology?
Now the development of cognitive psychology at the UBA has so far been directly associated with the cognitive studies program and the chair of General Psychology I. Seen from this nucleus that was formed around Aníbal Duarte there has been little interaction with other chairs and programs. After over twenty years at the UBA, cognitive psychology has remained encapsulated, according to both Molinari and González. Even the exchange with similar minded neuropsychologists and behaviorists is very limited. On the other hand the cognitive vocabulary, the talk of mental functions like memory, perception, learning, language and attention, is found in other areas. Learning is studied from many angles in developmental psychology. Memory is studied in neuropsychology and its defects in clinical psychology. Perception and attention are studied in organizational psychology. Language is studied in social psychology and in linguistics. So even though the cognitivist group remained isolated, cognition as a psychological object did not. At the UBA however, this is not due to U.S. cognitive psychology as advocated by Duarte and his colleagues, but rather to the predominating psychology of Piaget and Vygotsky, as focused on development.
Cognitive psychology at the UBA is not as isolated and unified as it has sounded so far. Even when it only concerns U.S. cognitivism, González admits that it “is a mosaic of micro-theories”. Letting go of the strict Anglo-Saxon definition, Español maintains that in Argentina “lots of things fit under the umbrella of cognitive psychology”. For her the common denominator is methodological rigor.
The UBA cognitivists do report some exchange with SADAF, the Argentinean society for analytic philosophy, concerning philosophy of mind. There has been some international exchange too, that became possible with the availability of subsidies during the 1990’s. In 1995 the Spanish cognitivist and cultural psychologist Angel Rivière gave a course in Buenos Aires. Rivière is famous for combining Piaget’s genetic epistemology with cognitivism and above all for welcoming vygotskian psychology in Spain in the 80’s.[11] His approach was well received by Silvia Español, who left to study with him in Madrid in 1996. After completing her doctorate under Rivière’s supervision she returned to the UBA. There has been mainly an exchange with Spain and some with France, where Argentinean Juan Seguí works in cognitive psycholinguistics. “In 2000 and 2001 together with SADAF some guests were invited from the United States, but other than that there’s hardly been intellectual traffic with the U.S. even though the majority of the literature has its origins there,” states Molinari. Reasons might be a lack of interest from the U.S. in Argentinean research and a lack of exchange funding. However, also in the Spanish speaking scientific community interesting developments have been going on. Influenced by Angel Rivière the boundaries between cognitivism and vygotskian psychology are tried. For example by Silvia Español, who no longer exclusively works for the cognitive studies program. Nevertheless, at the UBA the cognitivist and vygotskian General Psychology programs remain separated.
Cognitive psychology, as seen by Molinari and González, is both more isolated as underdeveloped. They maintain that it lags years behind with respect to international cognitive psychology. At the same time they consider the slow but critical reception of cognitive psychology from abroad as probably a good thing. According to González the far reaching atomization in Anglophone cognitive psychology makes the human subject evaporate. He thus questions the contribution of too experimentally sophisticated research. Molinari is only interested in the more ambitious cognitive theories and models. As seen by Español cognitive psychology is a methodologically sound base to investigate various psychological subjects. These complex subjects, however, also merit a cultural psychological approach.
Conclusion and discussion
Cognitive psychology, as the U.S. based theoretical framework, has slowly developed at the UBA. This is due to the particular public academic climate in Argentina that is thoroughly political. Historical political events like the dictatorship and the economic crisis weigh heavily on academic life. But contrary to Gustavo González and Carlos Molinari I would not say that cognitive psychology in Argentina lags many years behind. This would only apply if U.S. cognitive psychology would be considered the norm. Ángel Rivière used to say that psychology in the United States was a scientific anomaly rather than the norm, because in Europe (as in Argentina) psychologists kept on investigating cognition without behaviorist interruption. It can be maintained that the cognitive revolution is merely a U.S. phenomenon and that it does not apply in Argentina. Cognition was continuously studied there, but in a piagetian and vygotskian manner. The ‘cognitive revolution’ was merely the introduction of the behaviorist based cognitive psychology from the United States. The fact that this framework was not that well-received in Argentina can hardly be considered as Argentinean psychology lagging behind. The critical consummation of U.S. cognitive psychology is more likely progressive. The better elaborated theories are preferred over the pile of incoherent experimental data. A focus on the subject is enhanced instead of on methodology, on what is researched instead of how. Furthermore cognitive psychology’s modest place among various psychological approaches from various countries will eventually enhance a well-elaborated interdisciplinary view upon the mental human being, taking into consideration cultural variety. Something that will be far more difficult in mainstream U.S. academic psychology, as it is still limited by lingering behaviorist scientific norms. Even though psychoanalysis in Argentina can be considered as dominating as cognitivism in the U.S. and some parts of Europe, there seems to be more room at the UBA for other approaches in psychology that need not bear the quite limiting and probably even deceptively neutral adjective ‘scientific’ or the simply erroneous adjective ‘international’.
Sources
http://www.psi.uba.ar/posgrado2009_2/maestrias/cognitiva/
http://www.psi.uba.ar/investigaciones/investigaciones.php#novedades
Interview Floor van Alphen with Carlos Molinari: 25-04-2009
Interview Floor van Alphen with Silvia Español: 18-05-2009
Interview Floor van Alphen with Gustavo González: 18-05-2009
Anuario de Investigaciones (1989 – …). Secrataria e Instituto de Investigaciones, Facultad de Psicología, Universidad de Buenos Aires.
Programación UBACyT 1988-1990. Secrataria e Instituto de Investigaciones, Facultad de Psicología, Universidad de Buenos Aires.
Bruner, J. (1990). Acts of meaning. London: Harvard University Press.
González, G. (2007) La enseñanza de la Psicología General. In: A. Leibovich de Duarte (Ed.) Ayer y hoy: 50 años de enseñanza de la Psicología. EUDEBA: Buenos Aires.
[1] Or as a continuation of behaviorism, adding mental processes to the causal chain of stimulus and response (Bruner, 1990).
[2] Mental functions and phenomena had been studied before, however, without the cognitivist framework that was elaborated in the United States. The work of Jean Piaget and Lev Vygotsky, that can also be considered as cognitive psychology, had already been introduced before the dictatorship.
[3] One year at the UBA consists of two four month periods or ‘cuatrimestres’.
[4] This neutrality is debated, also within the United States. For example Bruner (1990).
[5] See for example Plotkin, M. (2003) Freud en las pampas. Bueno Aires: Editorial Sudamericana.
[6] Making Anglophone information available to students at public universities is actually very time-consuming because it involves a lot of translation: literature has to be available in Spanish otherwise it cannot be an obligatory part of the curriculum.
[7] CONICET (Consejo Nacional de Investigaciones Científicas y Técnicas) is the council organization for scientific research in Argentina, a part of the ministry of science, technology and productive innovation.
[8] UBACyT (Ciencia y Tecnología) organizes research recognized and financed by the University of Buenos Aires.
[9] FOMEC: Fondo para el Mejoramiento de la Calidad Universitaria (Fund for the improvement of universitary quality). This fund stimulates doctorates abroad, after which the scholars return to Argentina.
[10] The maestría is slightly different from a master. It is a postgraduate program. Students first have to receive their licenciatura or license in psychology. A Maestría however, is not a doctorate, the latter is a doctorado.
[11] Rivière’s book La psicología de Vygotsky (1984) is a classic in Hispanic psychology.
Spiegeloog, 35e jaargang, nummer 319, mei 2008
De boekenlijst staat vol met werken van Freud, Lacan en Nietzsche. Er wordt college gegeven over de Rorschach-test. Bijna iedereen is wel eens in psychoanalyse geweest en vertelt daar schaamteloos over. ‘Verdringing’ wordt slechts toegeschreven aan politici. Studeren is er gratis. Waar zijn we nu dan beland? Op de psychologiefaculteit van de Universiteit van Buenos Aires, Argentinië. Hoe invloedrijk is de psychoanalyse aan de UBA en hoe is dit zo gekomen? Wat kunnen we er aan de UvA van leren?
Er zijn enkele overeenkomsten tussen de UvA en de UBA. Zo kiezen veel studenten voor psychologie omdat ze niet weten wat ze moeten studeren, slaan veel studenten hun boeken nauwelijks open en is het eerste jaar wel erg algemeen. Inhoudelijk zijn er echter grote verschillen. Cecilia en Ana, twee studentes aan de leerstoelgroep Geschiedenis van de Psychologie, weten te vertellen dat het gehele oeuvre van Freud behoort tot de verplichte literatuur. Ook de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, die de structuralistische taalkunde introduceerde in de psychoanalyse, komt gedurende de gehele opleiding voorbij. ‘We zijn allemaal Lacanianen,’ stelt Cecilia. Psychologie aan de UBA is dan ook voornamelijk klinische psychologie met een filosofische of postmoderne invalshoek. Men kan kiezen voor juridische psychologie, arbeidspsychologie en onderwijspsychologie en er worden ook neuropsychologische en methodologische vakken gegeven, maar alles krijgt een onmiskenbaar klinisch psychoanalytisch stempel.
De experimentele psychologie, zoals we die kennen in Amsterdam, wordt maar weinig bedreven. Er is geen laboratoriumruimte, laat staan apparatuur, misschien kom je nog net ergens een Skinnerbox tegen. Men is op de hoogte van de wetenschappelijke traditie die begon met Wundt en Galton, maar deze heeft veel minder navolging gekregen. In plaats van een syllabus met de meest recente wetenschappelijke artikelen uit de Verenigde Staten, liggen er bij de Argentijnse VSPA-balie werken van beroemde filosofen. De student, die zich met een boek van Foucault voorbereidt op een mondeling Geschiedenis van de Psychologie, is geschokt als ik vertel dat deze Franse filosoof en historicus geen onderdeel is van ons curriculum. Ik vraag hem wat hij van de groeiende belangstelling voor cognitieve gedragstherapie vindt. ‘Het is een modegril en geen werkelijk alternatief voor de psychoanalyse.’ De term evidence-based zal je niet snel horen vallen. De studenten nemen wel deel aan onderzoeksprojecten gedurende de opleiding, maar deze lijken weinig op het OP. Statistiek vormt slechts een klein onderdeel van de opleiding en heeft volgens Cecilia ook niet zoveel zin als Freud in het middelpunt van de belangstelling staat.
Wat zouden de studentes willen veranderen aan de studie? Cecilia is zeer tevreden maar haar studieplezier zou gebaat zijn bij meer mogelijkheden om stage te lopen en om dan ook daadwerkelijk de handen uit de mouwen te mogen steken. Ana is kritischer. ‘We lezen allemaal oude boeken in plaats van recent onderzoek. Ik zou graag een meer wetenschappelijke psychologie zien, meer onderzoek, en de psychoanalyse onderbrengen bij de filosofiefaculteit. Maar ik ben niet echt een representatieve student.’
Psy-cultuur
De psychologie en de psychoanalyse in het bijzonder zijn erg populair in Buenos Aires, zowel binnen als buiten universitaire kringen. ‘Porteños [de inwoners van de hoofdstad – fva] vinden psychologen geweldig. Het beeld van de psychoanalyticus, dat direct met de psychologie is geassocieerd, speelt een prominente rol in onze cultuur. We gaan naar de sportschool en naar de psycholoog,’ grapt Cecilia. En inderdaad, de zogenaamde ‘psy-cultuur’ is overal aanwezig. In film en literatuur, op de boekenmarkt en in de kiosk, er is zelfs een buurt die Villa Freud heet vanwege alle psy’s die er wonen en werken.
De cijfers zijn indrukwekkend. In Buenos Aires zijn er 126 inwoners per psycholoog. Over het geheel genomen is er in Argentinië één psycholoog op de 754 inwoners. Dat is waarschijnlijk meer dan waar ook ter wereld. Een derde van de in Argentinië afgestudeerde psychologen komt van de UBA. De psychologiefaculteit kent het grootste aantal studenten van de hele universiteit: 18.668 (Alonso & Gago, 2006). Bij de leerstoelgroep Freudiaanse psychoanalyse studeren er op het moment zo’n 2500 studenten. Van de veertig leerstoelgroepen houden er vier zich bezig met psychoanalyse en heeft de rest veelal betrekking tot klinische psychologie, de klinische ontwikkelingspsychologie, klinische neuropsychologie en de arbeid en gezondheidspsychologie. Bij veel verplichte vakken, zoals psychopathologie, ligt er een grote nadruk op de psychoanalyse.
De populariteit van de psychoanalyse aan de UBA houdt verband met de versmelting van dit gedachtegoed met de hedendaagse grootstedelijke cultuur in Argentinië. Een veelgehoord grapje spreekt boekdelen: Hoe pleegt een Argentijn zelfmoord? Hij klimt bovenop zijn ego en springt ervan af.
Immigratie, intellectualisme en ideologie
Bepaalde sociaal-politieke factoren droegen bij aan de ontwikkeling van de psychoanalyse in Argentinië. Met enorme hoeveelheden Europese immigranten is de aandacht in Buenos Aires al lange tijd gericht op Europa, vooral in intellectuele kringen. Daarin werd een voorbeeld genomen aan het Franse intellectualisme, waarin de psychoanalyse een grote rol speelt. Volgens historicus Mariano Plotkin (2003) werden de Europese psychoanalytici die zich in het begin van de twintigste eeuw vestigden in Argentinië niet gezien als buitenlanders, zoals in de Verenigde Staten gebeurde, omdat zij het Spaans vloeiend beheersten. Dit maakte de acceptatie en verspreiding van het psychoanalytisch gedachtegoed gemakkelijker. De flexibiliteit in interpretatie maakte het mogelijk de ideeën binnen de verschillende politieke ideologieën te passen in het Buenos Aires van de jaren dertig en veertig. De psychoanalyse raakte allengs meer geassocieerd met de liberale oppositie van het anti-intellectualistisch regime van Perón. In de jaren zestig, na de val van het peronisme, waren psychoanalytici daarom erg populair. Ook vanwege de bevlogenheid waarmee ze zochten naar mogelijke toepassingen van de psychoanalyse, om zoveel mogelijk mensen ervan te laten profiteren. De psychoanalyse was een instrument voor culturele modernisering en voor sociale revolutie en verspreidde zich over ziekenhuizen, scholen en andere instituties. Tijdens de militaire dictatuur in de jaren zeventig werden linkse intellectuelen, waaronder ook psychoanalytici, door het regiem gezien als mogelijke subversieve elementen. De psychoanalyse was echter zodanig verspreid in de samenleving dat zij niet weggevaagd kon worden. De militairen gebruikten enerzijds de methodologie om hun politiek te rechtvaardigen en onderdrukten anderzijds de ideologie. Het herstel van de democratie maakte een heropleving mogelijk.
Kortom, men maakte zich de psychoanalyse snel eigen en deze wist zich vervolgens in de complexe politieke omstandigheden door engagement te vestigen. De institutionele macht van de psychoanalyse, haar aanwezigheid in ziekenhuizen, op scholen en op de openbare universiteiten, maakt dat de populariteit onverminderd groot is nu er meer politieke stabiliteit is.
Psychoanalytische psychologie aan de UBA
Sinds 1896 bestaat er al een leerstoelgroep psychologie aan de UBA. Docente Geschiedenis van de Psychologie Marcela Borinsky vertelt dat psychologie aanvankelijk werd benaderd vanuit de experimentele invalshoek. De psychoanalyse werd door de psychiaters die het vak onderwezen al vroeg geïntroduceerd als moderne psychologische methode. Omdat de experimentele traditie nog niet zo sterk ontwikkeld was, werd de psychoanalyse niet aan een experimentele psychologie getoetst maar vestigde de psychologie zich als wetenschap door middel van de psychoanalyse.
Aan de wieg van de opleiding psychologie stonden vooral psychoanalytici en sociologen (Dagfal, 2007). Ook omdat de opleiding tot stand kwam in de politieke context van het aan socialisme verwante peronisme, was deze van meet af aan gericht op de klinische functie: het helpen van de medemens. De invloed van Freud was echter geenszins dogmatisch. ‘Het moge duidelijk zijn dat het aandeel van de psychoanalyse in de menswetenschappen op geen enkele manier wordt bepaald door één school of stroming, ook niet door stromingen die een pure of orthodoxe psychoanalyse nastreven en andere stromingen buitensluiten’ aldus oprichter van de opleiding Gino Germani in 1958 (Dagfal, 2007).
Het psychoanalytische karakter van de opleiding uit zich voornamelijk in een kritische houding. Psychoanalyticus en professor Juan Carlos Cosentino studeerde medicijnen in de revolutionaire hoogtijdagen van de psychoanalyse. Hij vertelt dat de eerste kennismaking met de psychoanalyse een enorme impact had in de context van het idealisme van de jaren zestig. Het kritische geluid, geïnspireerd door Marx, Freud en Lacan, verstomde tijdens de militaire dictatuur. Verdacht van politieke activiteit liep men het gevaar gemarteld en vermoord te worden. Van degenen die spoorloos verdwenen was 21% student en 10% universitair medewerker (Plotkin, 2003). Het regiem hield de universiteit in een verstikkende greep, met name de faculteit voor sociale en menswetenschappen. Met het herstel van de democratie werd de opleiding psychologie opnieuw ingericht en kregen Freud en Lacan weer een voorname rol toebedeeld. In 1985 werd de psychologenwet aangenomen. Na jaren onenigheid mochten naast medici nu ook psychologen psychotherapie gaan geven. De opleiding psychologie kreeg een hogere status en de klinische oriëntatie van de opleiding werd versterkt.
Psychologie in de uitverkoop
Het psychologenaanbod is inmiddels zo groot dat psychologische dienstverlening goedkoop overal wordt aangeboden. Psychologen werken zich een slag in de rondte om genoeg geld te verdienen. Een privépraktijk is er voor velen niet meer bij. ‘Er zijn te veel psychologen,’ stelt Borinsky. De explosieve groei van het aantal jonge psychotherapeuten komt door het enorme aanbod van opleidingen. Dat studenten blijven kiezen voor psychoanalyse, terwijl er weinig en vooral weinig goed betaald werk is, komt volgens Cosentino door het grote aanzien dat de psychoanalyse en het beroep psychotherapeut genieten in Buenos Aires. Hij vindt het een curieus fenomeen en stelt dat de invloed van de psychoanalyse te groot is. Allerlei instituties bieden psychoanalyse aan, zowel privé-ziekenhuizen als publieke gezondheidscentra. Dit heeft tot gevolg dat de psychoanalyse steeds diffuser wordt. Onderwijs en onderzoek in de psychoanalyse gaan alle kanten op. Therapie wordt op alle mogelijke manieren en in allerlei varianten aangeboden. Er wordt sinds een aantal jaren zelfs reclame gemaakt voor psychoanalyse. Cosentino signaleert hier een gevaar: ‘Het meest interessante aan de psychoanalyse is het anti-kapitalistische karakter. Psychoanalyse staat buiten het idee dat tijd geld is. De droom is bijvoorbeeld een belangrijk concept, omdat deze door en door individueel is. Een droom is een van de weinige dingen die je niet kan globaliseren. We moeten uitkijken dat het gedachtegoed niet een commercieel product wordt op de markt van vraag en aanbod.’
Geëngageerde versus gedepersonaliseerde psychologie
De psychoanalyse is in Argentinië duidelijk een eigen leven gaan leiden. Waar het in Nederland een nogal exclusieve therapievorm is, is het in Argentinië gemeengoed. Het is niet alleen een therapie die voor iedereen beschikbaar is, maar ook gekoppeld aan een politieke ideologie en een belangrijk onderdeel van de cultuur. ‘Voor een volk dat de ene na de andere crisis heeft moeten doorstaan, maken Freud en Lacan het mogelijk een ander perspectief in te nemen ten opzichte van het eigen leed,’ aldus Cosentino. Volgens Cecilia en Ana is het politieke engagement van de jaren zestig door de dictatoriale klap grotendeels uit de opleiding psychologie verdwenen. De psychoanalyse zelf lijkt echter niet aan politiek bewustzijn te hebben ingeboet. Het engagement is nog steeds voelbaar aanwezig op de UBA, maar misschien gekanaliseerd in een kritische en reflectieve houding.
Marcela Borinsky meent dat de experimentele psychologie zo langzamerhand voet aan de grond krijgt op de universiteit. Na de dictatuur kon men zich namelijk openstellen voor invloeden van buitenaf, zoals het behaviorisme en cognitivisme. Volgens Borinsky bevindt de UBA zich in een perifere positie in de wetenschap, ver verwijderd van Europa en de Verenigde Staten. Dat is een groot voordeel, want ‘van alles krijgen we hier een beetje’ en zo kunnen er veel verschillende modellen en visies naast elkaar bestaan. Cecilia en Ana zeggen nog weinig te merken van invloeden van buitenaf. Ze voelen wel wat voor meer uitwisseling met de experimentele psychologie.
Cosentino is wat dat betreft voorzichtiger. Hij probeert in zijn onderzoek en onderwijs de spanning tussen psychologie en psychoanalyse te bewaren. ‘De psychoanalyse moet niet door de psychologie gedomesticeerd worden en de psychoanalyse is niet het enige psychologische model.’ Het grote verschil tussen de psychoanalyse en de experimentele psychologie ligt volgens Cosentino in de benadering van het menselijk subject. ‘De psychoanalyse maakt het subject en zijn imperfecte onbewuste structuur zichtbaar. Ze laat onze irrationaliteit zien. In de positivistische wetenschap verdwijnt het subject. Er wordt gezocht naar een allesomvattende verklaring. De psychoanalyse bekritiseert het idee van een Weltanschauung; er kan geen definitie van “het alles” gegeven worden.’ Dit verschil zou uitwisseling tussen Nederland en Argentinië kunnen bemoeilijken. De grootste hindernis voor uitwisselingsprojecten is echter het gebrek aan financieringsmogelijkheden. ‘Zodra er geld is, is er van alles mogelijk.’
Er bestaat geen uitwisselingsprogramma tussen UvA en UBA, maar wel met enkele dure particuliere Argentijnse universiteiten waar men kan voldoen aan de strenge Nederlandse eisen. Dat is niet iets om trots op te zijn. Hoewel men in Buenos Aires niet beschikt over de middelen waar wij in Amsterdam over beschikken (denk aan laboratoria, computers, geld), kunnen wij wel degelijk wat leren van onze Argentijnse collega’s. Dat psychologie niet in een sociaal-politiek vacuüm staat bijvoorbeeld. Of dat wetenschap niet cultuuroverstijgend maar cultureel bepaald is. Of dat geld een grotere rol speelt in onze wetenschap dan we denken.
Zodra er engagement, kritische reflectie en idealisme is, is er van alles mogelijk.
Bronnen
- Alonso, M. M., & Gago, P. T. (2006). Algunos aspectos cuantitativos de la evolución de la psicología en Argentina 1975-2005. UBA – Facultad de psicología – XIII Jornadas de investigación.
- Dagfal, A. (2007). A cincuenta años de la creación de la carrera de psicología de la UBA. Buenos Aires: Editorial Paidós (onderdeel van een nog te publiceren bloemlezing).
- Plotkin, M. B. (2003). Freud en las pampas. Orígenes y desarollo de una cultura psicoanalítica en la Argentina (1910-1983). Buenos Aires: Editorial Sudamericana.
Continue Reading →
De Psycholoog, januari 2007, p. 40-41.
Het idee van het narratieve zelf is niet nieuw. In tal van disciplines waar structuralisme en postmodernisme zich gevestigd hebben, wordt ons ‘ik’ gezien als een verhaal, waarvan de plot gedurende ons leven steeds ingewikkelder wordt. Dat het voor iemand belangrijk kan zijn om zijn verhaal te kunnen vertellen en dat dat therapeutisch kan werken, is evenmin wereldschokkend nieuws. Wel nieuw is dat verhalen een plek krijgen in de geestelijke gezondheidszorg.
Continue Reading →De Psycholoog, november 2006, p. 627-628
Nou is er altijd wel wat mis met een intelligentietest, niet in het minst omdat het testen van intelligentie omgeven wordt door controverse. Een test al te vrolijk toonzetten is ongeloofwaardig, maar zeer begrijpelijk als je zelf de test hebt gemaakt, vertaald of uitgegeven.
Continue Reading →Spiegeloog, nummer 304, 33e jaargang, april 2006
Mensen functioneren onder invloed van tal van factoren. Ons gedrag wordt bepaald door onze omgeving, onze ervaringen, onze genen. Toch ervaren we momenten waarin we kunnen kiezen of we psychologie gaan studeren of iets anders en als iemand voorspelt dat we naar links lopen kunnen we eigenwijs rechts afslaan. In hoeverre is er in gebouw A eigenlijk ruimte voor ‘vrije wil’? Spiegeloog ging te rade bij methodoloog Denny Borsboom, filosoof Jan Willem Romeijn en cognitieve neurowetenschapper Victor Lamme.
Vrije wil is een uitermate wazig concept en ook de tegenpool determinisme zou wel wat verheldering kunnen gebruiken. Wat bedoelen we eigenlijk als we ons afvragen of we een vrije wil hebben? Borsboom: ‘Volgens mij is het antwoord op de vraag naar vrije wil triviaal of de vraag is onzinnig. Wil is een oneigenlijk zelfstandig naamwoord. Ik wil iets, er is niet een wil die iets wil. De term vrijwillig is veel zinniger.’ Volgens Romeijn bedoelen we met het hebben van een vrije wil eigenlijk het hebben van keuzevrijheid, in die zin dat we vrij zijn van dwang. ‘Dat is iets anders dan dat je wil vrij zou zijn. Wilsvrijheid is volgens Schopenhauer dat ik vrij ben in mezelf om de wens te krijgen om iets te doen. Dus de overweging of ik iets wil of niet is ongedetermineerd. Deze notie vind ik vergezocht en ik zie er ook geen noodzaak toe.’
Een betere vraag is dus: bestaat er keuzevrijheid of vrijwillig gedrag? Het antwoord hierop lijkt een vanzelfsprekend ‘ja’. Dat we allerlei dingen doen zonder externe dwang impliceert dat er vrijwillig gedrag bestaat. Borsboom: ‘Mijn gedrag is vrij in die zin dat ik het niet doe omdat er een pistool op me gericht is.’ Gedrag wordt echter ook intern gedetermineerd. Lamme: ‘Dat pistool zit in je. Al je ervaringen en je genetische opmaak bepalen net zo sterk je gedrag als een pistool aan de buitenkant dat zou doen.’ Volgens Borsboom wordt er in dit psychologisch determinisme, waarin we een slaaf zijn van onze onbewuste drijfveren, een eigenaardig onderscheid gemaakt tussen het ‘ik’ en zijn drijfveren, genen en hersens. ‘Zeggen dat je iets doet vanwege je genetische constitutie is onzin, want er is geen onderscheid tussen jou en je genetische constitutie. Met andere genen zou ik niet ik zijn.’
De notie van keuzevrijheid herbergt een ingesleten dualistische aanname. Nog steeds denken we dat we hersens ‘hebben’ in plaats van dat ze deel van ons uitmaken. Geest en lichaam worden van elkaar onderscheiden. Romeijn: ‘We hebben het idee dat een onafhankelijke mentale entiteit invloed uitoefent op de materiële werkelijkheid.’ De vrije wil is natuurlijk iets mentaals, want als het materieel zou zijn, zou het onderhevig zijn aan natuurwetten en dus gedetermineerd zijn. Lamme: ‘Vrije wil gaat om het gevoel dat er een mentale aansturing van gedrag bestaat. Dat we dit zo ervaren wil nog niet zeggen dat het ook zo is. Ik denk niet dat wat je denkt je gedrag aanstuurt. Je gedachten zijn net zozeer output van biologische processen in de hersenen als je gedrag.’
Uit het onderzoek van Libet (1999) blijkt een onbewust biologisch keuzemoment vooraf te gaan aan de bewuste ervaring van het maken van een keuze. De keuze wordt als het ware al gemaakt voordat we die in gedachte krijgen. Lamme: ‘Het keuzemoment is het moment waarop het ene reflex het wint van de andere. In de hersenen zijn er een aantal biologische paden of stimulus-respons koppelingen actief. De mate van activiteit bepaalt welk pad wordt ingeslagen.’ Er is geen mentaal mannetje wat ingrijpt op deze biologisch causale reeks van gebeurtenissen. Deze zogenaamde homunculus past niet binnen het materialistische wereldbeeld van de wetenschap. Borsboom is het daarmee eens, maar waarschuwt dat het bij het experiment van Libet gaat om een experimenteel effect dat niet bij alle deelnemers werd gevonden. ‘Er is hier geen sprake van een strikte wetmatigheid. Ook hier wordt weer die kunstmatige scheiding gemaakt tussen hersens en individu.’ Romeijn maant eveneens tot voorzichtigheid in het interpreteren van de onderzoeksresultaten van Libet. ‘De verbinding tussen experimenteel onderzoek en een filosofische vraag is meestal vrij zwak en men trekt al te vlugge conclusies.’
Toch lijkt het determinisme onvermijdelijk. Hoe kunnen we immers elementaire deeltjes van hun voorbestemde pad afbrengen? Tegenstanders van het fysisch determinisme (alles is opgebouwd uit elementaire deeltjes die in wezen gedetermineerd zijn) grijpen naar de kwantummechanica. Romeijn: ‘Deze natuurkundige theorie is niet vanzelfsprekend, maar moet geïnterpreteerd worden. In één van de mogelijke interpretaties is er sprake van causaal open momenten in fysische systemen. Op dit punt zou de vrije wil in kunnen springen.’ Borsboom: ‘Als elementaire deeltjes al niet gedetermineerd zijn, waar hebben we het dan nog over?’ Er bestaat echter twijfel over de waarde van de kwantummechanica voor de vrije wil. Romeijn: ‘Hoe kom je van een minuscuul kwantummechanisch keuzepuntje naar dat macroscopische keuzemoment in menselijk gedrag? Hier worden een moeilijk te interpreteren fysische theorie en een moeilijk met de wetenschappen in het reine te brengen metafysisch uitgangspunt door elkaar geroerd.’ Inderdaad lijkt hier sprake te zijn van een vreemdsoortige reductionistische gedachte. Het centrale en aannemelijke idee is dat de wereld niet honderd procent voorspelbaar is. Volgens Lamme verandert dit echter niets aan de waarheid van het fysische wereldbeeld. Dat we in de psychologie het idee hebben dat we menselijk gedrag nooit volledig kunnen voorspellen heeft te maken met de verregaande complexiteit van de mens. Er moet een heel ingewikkeld systeem worden doorgrond om de juiste voorspelling te maken. De systemen in de natuurkunde zijn veel eenvoudiger. De voorspellingen worden hier echter gedaan in laboratoria. Borsboom: ‘Het gaat hier om biljartballen-natuurkunde op een geïdealiseerde biljarttafel. Er is geen enkele indicatie dat het buiten het laboratorium ook zo gaat. De stroming van de oceanen en het weer zijn niet helemaal voorspelbaar. In plaats van op allerlei ingewikkelde manieren proberen te voorspellen wat ik ga doen, kan je het me ook gewoon vragen.’ Volgens Lamme zeggen complexiteit en voorspelbaarheid niets over het bestaan van de vrije wil. ‘We zeggen toch ook niet van het weer dat het een vrije wil heeft? En wanneer is een wezen complex genoeg om een vrije wil te hebben?’ Het is al raar om te zeggen dat een hond keuzes maakt, laat staan een kikker. Er is volgens Lamme geen enkel argument om te veronderstellen dat er bij deze dieren iets anders gebeurd dan bij de mens.
Lamme vindt het maar een flauwe filosofische kwestie. ‘Als je kijkt wat er werkelijk gebeurt in het brein verdampen begrippen als willen en intentie. We ervaren controle over ons gedrag omdat er ooit de gedachte is ontstaan dat we een geest hebben. Als sociale dieren zijn we bezig met het proberen te voorspellen wat een ander gaat doen. De notie van vrije wil is waarschijnlijk in deze context ontstaan. In feite is ons gedrag gebaseerd op reflexmatige processen met een sensorische input en een motorische output. Deze zijn echter zo complex dat er het idee ontstaat dat we een keuze hebben.’
De menselijke ervaring is dat we een keuze hebben. Is dat zo? Wat ervaren we dan? Lamme: ‘Mensen weten vaak niet waarom ze ja of nee zeggen. De keuze overkomt ons. De rationalisaties die we achteraf van onze keuzes maken zijn vaak aantoonbaar onjuist. Er is leuk sociaal psychologisch onderzoek wat dat laat zien. Ik zelf heb bij het bestuderen van een menukaart niet het gevoel dat mijn gedachtes de doorslag geven.’ Romeijn: ‘Ik ervaar helemaal geen vrije wil. Het is ook zoiets mafs. Je neemt een besluit en dat heeft kolossale gevolgen voor je leven. Maar wat gebeurt daar nu precies? Waar komt dat besluit vandaan op het moment zelf?’ Voor de keuze overwegen we en na de keuze rationaliseren we. De keuze zelf lijkt ons te overvallen. Of dat nou zo ervaren wordt of niet, er is wel een keuzemoment. Het kan het een worden of het ander. Borsboom: ‘Er zijn meer dingen mogelijk dan hetgeen ik doe. Dit berust op het vermogen om bereikbare toekomstsituaties te bedenken. Er bestaat een spanningsveld tussen meerdere mogelijkheden zien en maar één mogelijkheid doen. Het is een denkfout te veronderstellen dat wat je zal doen hetzelfde is als wat je kan doen.’ Het zien van meerdere mogelijkheden hoeft echter niet te betekenen dat we niet gedetermineerd zijn. Er is maar één ding wat we doen en volgens Lamme kiezen we daar niet voor, maar is dat de noodzakelijke uitkomst van het biologische proces.
Het keuzemoment mag dan wel biologisch en onbewust zijn, er wordt hoe dan ook een keuze gemaakt. Het idee dat wij zelf die keuze niet maken, maar dat onze hersens dat doen is uitermate dualistisch. Borsboom: ‘Als dat dualistische idee nou eens wordt losgelaten, dan zijn we het probleem kwijt of het nu een beslissing was van Denny, zijn genen of zijn temporale cortex.’ Lamme: ‘Onze constellatie bepaalt wat we doen. Er is iets wat beslist, ook al is dat biologisch en hebben onze gedachten daar geen invloed op.’ Als wij onszelf niet langer zouden zien als een mentale entiteit die aan de materiële touwtjes trekt, maar als een geheel in de zin van een biologisch systeem dat open staat voor de omgeving, dan nemen wij wel degelijk een beslissing. Deze beslissing ligt vast, maar alleen omdat je bent wie je bent inclusief jouw genetische opmaak en jouw ervaringen en jouw hersens. Is dat nou zo erg? Lamme: ‘Ik wordt niet ongelukkig van een deterministisch mensbeeld. Wat doe je immers met de informatie dat alles vastligt? Goddank bestaat de vrije wil niet, het zou slecht met ons aflopen. Dat er geen vrije wil is sluit niet uit dat er een ‘ik’ is, want die is er wel. Er is dus wel sprake van een zekere eigenheid, verantwoordelijkheid of autonomie, dat zijn ook allemaal veel betere termen dan vrije wil.’ Romeijn: ‘Stel dat er totale causale openheid zou bestaan, dan zou de willekeurigheid regeren. Dat zou een uitsluiting van wilsuitoefening betekenen. Dus in die zin is determinisme nodig om te doen wat je wil.’ Met andere woorden determinisme is nodig om te zijn wie we zijn en te handelen naar wie we zijn. Borsboom: ‘Niemand heeft me zover kunnen krijgen om het probleem van de vrije wil te zien.’
Wat moet een psycholoog nu met de vrije wil? Romeijn: ‘Er ontnuchterend en analytisch commentaar op geven. Eerst zal de conceptuele wanorde moeten worden opgeklaard. De keuze-ervaring is een relevant onderwerp voor de psychologie en daar zou onderzoek naar gedaan kunnen worden. De onafhankelijke ziel of geest is geen psychologisch, maar een metafysisch onderwerp.’ Volgens Borsboom hoeft de psycholoog niet wakker te liggen van dit probleem, omdat het vooral een conceptueel en dus filosofisch probleem is. ‘Het psychologisch onderzoek kapitaliseert erop dat we een keus hebben, je vraagt immers of iemand eraan wil deelnemen. Keuzevrijheid is een vrij fundamentele aanname in de psychologie.’ Lamme zou graag een eliminatie van de geest zien, want door deze gedachte zijn allerlei schijnproblemen, zoals de vrije wil, de wereld in geholpen.
Literatuur:
Libet, B. (1999) Do we have free will? Journal of Consciousness Studies, 6, 47-57.
Voor wie meer wil:
-Victor Lamme hield ter gelegenheid van de Dies Natalis van de UvA op 9 januari 2006 de rede ‘De geest uit de fles’. De registratie hiervan kan op internet bekeken worden via UvA-TV. De schriftelijke versie is beschikbaar via de Amsterdam University Press, www.aup.nl
-Schopenhauer, A., De vrijheid van de wil, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 3e druk, 1996, ISBN 90 284 1553
Continue Reading →