↑↓

Op 4800 meter klom ik op een full-suspension mountainbike. Grijnzend klom ik er op 1600 meter weer vanaf. Was het nou echt eng ´death road´? Nee hoor, want met alle bewolking kon ik slechts een stukje de afgrond inkijken. Helaas heb ik dus wat adrenaline moeten missen, maar ik ben vrolijk naar beneden gehobbeld, genietend van de rondvliegende modderspetters en het snel veranderende landschap. Eenmaal in het idyllische Coroico bleef de beloofde duik in het zwembad uit, het was een beetje koud in de subtropische yungas. Ook de volgende dag merkte ik weinig van het geroemde klimaat en was mijn inwendige situatie weer zodanig ellendig dat ik afzag van een vijftien uur durende busrit naar de amazone. Geen jaguars, roze dolfijnen en krokodillen, maar terug omhoog naar La Paz. In de zon op het koloniale plaza Murillo, de spelende kinderen en flirtende duiven observerend, maakte ik me op voor het vervolg van de reis. Lange busritten zijn onvermijdelijk hier, niet omdat alles zo ver van elkaar verwijderd ligt, maar omdat het wegdek slecht is en de bussen overal stoppen.
Een etmaal later in Sucre bleek dat ik weer parasiet-vrij was, maar kon ik een andere aandoening constateren. ´s Nachts in de bus op het altiplano was ik plotseling duizelig en misselijk geworden: hoogteziekte. De weken op zo´n 3800 meter boven zeeniveau hadden niets uitgericht, boven 4000 meter voel ik me beroerd. Die nacht dacht ik verbitterd: genoeg, ik stap op het vliegtuig naar huis. Maar toen ik die middag door de warme, zonovergoten, witte koloniale straten van Sucre liep, verdween de verbittering als sneeuw voor de zon. De stad ligt op een heerlijke 2800 meter, omgeven door een glooiend landschap met cipressen en olijfbomen. Opeens waande ik me in Toscane. Op het terras in de zon, pizza en italiaans ijs, genieten. Na enkele dagen culinaire en culturele verwennerij (ja er waren zelfs bitterballen en bossche bollen te krijgen) zag ik op tegen het hooggelegen Potosí, maar het lag nou eenmaal op mijn weg naar het zuiden.
Ook Potosí is een aardig koloniaal stadje, maar mist de allure van Sucre en de ligging tussen de kale rotsformaties op het droge en koude altiplano is ook lang niet zo lieflijk. Na enige twijfel had ik besloten toch op toer door de mijnen te gaan, veel andere reizigers hadden me bezworen dat ik dat niet moest missen. Dus ik hees me zaterdagmorgen in een overal; laarzen aan, helm met lamp op, een pláátje en bovendien heel stoer. De activiteit vond die dag plaats buiten de mijnen aangezien het offerdag was. De mijnwerkers en hun families offerden lamas aan pacha mama (moeder aarde). Het was beklemmend druk op de mijnwerkersmarkt, waar de onmisbare attributen als dynamiet, coca-bladeren (om te kauwen, tegen de honger en vermoeidheid) en het 96% alcohol-drankje verkocht werden. Het is allemaal volkomen legaal en iedereen kan het kopen. De lamas stonden er stoïcijns bij tussen de druk toeterende autos. In no-time had ik een staaf dynamiet en zilverstof in mijn handen gehouden. Na de zilverrafinaderij (denk fabriek in Nederland aan het begin van de twintigste eeuw) togen we de mijnen in. De gidsen, voormalige mijnwerkers, voelden zich klaarblijkelijk op hun gemak, lachend en kauwend op de grote bol coca in hun wang. Toen de gangen minder begaanbaar werden en de temperatuur steeg werd het mij te zwaar. Het was niet echt eng daarbinnen, maar erg benauwd en omdat er niet gewerkt werd heel stil. Het licht was oogverblindend toen we naar buiten kwamen, maar dat verhinderde niet dat ik een glimp opving van de lamas wier keel al doorgesneden was. Men stond op het punt de twee anderen te doden en in paniek maakte ik dat ik weg kwam. De fysieke walging, hoogteziekte, had even daarvoor al toegeslagen en nu sloeg ook de mentale walging toe. De bedoeling was dat we ´gezellig´ wat zouden drinken met de mijnwerkers. Ja, en toekijken hoe de beesten gevild werden zeker, nee dank je. Het was genoeg andere cultuur voor een dag. Weer die stomme vraag: waarom eet je geen vlees? Het was de laatste keer dat ik geërgerd getracht heb een antwoord te geven, ik heb besloten dat ik mezelf wat dat betreft nooit meer hoef te rechtvaardigen. De grond van de mijnwerkersnederzetting lag vol met plastic troep en ondertussen werden er dieren vermoord om de aarde gunstig te stemmen, hypocriete zooi, vol overgave heb ik mijn maag geledigd.
Inmiddels ben ik weer afgedaald naar warmere oorden. Tarija wordt liefkozend het Andalucia van Bolivia genoemd, en terecht, getuige de sinaasappelbomen (zoals in Sevilla!) en de hartverwarmende zon. Ik heb het al vaker moeten vaststellen gedurende mijn reis, maar hoe meer Europees een plek, hoe beter ik me er voel. Nederland krijgt zowaar paradijslijke trekjes. Maar voorlopig klinkt Argentinië ook erg goed: na alle Boliviaanse folklore shoppen in Buenos Aires. Nog één keertje omhoog naar de zoutvlakte en dan wachten beneden de pampas.

Categorized Under

Over de Andes

« Peruviaanse parasieten en Boliviaanse bolhoedjes
Wachten »

Alles op een rijtje

Fotografía

Ventana al cielo

Encender, apagar

Hay agua caliente

Zwart-wit Schaap

Pichi

Bajo la bandera

Mirando atrás

Garrapiñadas

Greenhost webhosting