Portfolio & Blog
De laatste dag van Semana Santa kwam ik aan in San Juan del Sur. Op het strand trof ik restjes mens aan, slapend in het zand na het grote feest de afgelopen nacht. Overal reclame voor het Toña-bier en de Flor de Caña-rum en gezinnen op een vierkante meter onder een geïmproviseerde tentjes van lakens en stokken. Er hing een enorme kater in de lucht. ‘s Avonds was de menigte vertrokken en de badplaats verlaten. Het was mijn laatste bestemming in Nicaragua. Nog even genieten van het land en de sfeer, echter nadat ik mijn machismo-frustraties gebotviert had op een zogenaamde open-minded Nico, die nog moervast zat in de maagd-hoer dichotomie ten aanzien van vrouwen en derhalve mijn toorn over zich afriep. (Uiteraard vallen reizigsters in de tweede categorie, vandaar het onbehoorlijke gedrag van de heren Nicaraguënses. Mijn Freudiaans oordeel is: projectie.) Daarna bijkomen met Tim (die ik vijf jaar niet had gezien en in het hostel tegen het lijf liep) en een fles(je) rum.
De volgende dag stuiterend in de pseudo-comfortabele pick-up (bankjes bekleed met matrassen) naar een nabijgelegen strand. Omdat mijn fototoestel zo zwaar en groot is, had ik het niet ingepakt. Onderweg zag ik mijn laatste kans om het Nicaraguaans dagelijks leven te fotograferen passeren. De betonnen huisjes, de golfplaten daken, de waslijnen, het prikkeldraad, de honden, kippen, varkens, de pick-up vol mensen die ik al sinds Guatemala wilde fotograferen, maar dat was nog steeds niet gelukt. Het besef veel te weinig foto’s te hebben gemaakt in dit land, zat me erg dwars. En toen was daar een prachtig surrealistisch strand, omgeven door hoge rotsen begroeid met cactussen en bomen zonder bladeren met witte bloemen. In zee een enorme rotspartij en donderende drie meter hoge golven (das pas buena onda!) en dat alles in felwit zonlicht. Een woestijnstrand, en ik had mijn camera niet bij me. De laatste indrukken van Nicaragua heb ik gretig in me opgezogen, maar het afscheid voelde overhaast. Dag chickenbus! Dag pollopollopollo, roquillasroquetes, frescosfrescosfrescos, managuamanaguamanagua! Dag iedereen die me iets wil aansmeren, al dan niet met kanten schortje! Dag enorme rij bij de grensovergang! Dag armoede…
Hola Costa Rica! Het Zwitserland van Centraal Amerika, dat is niets teveel gezegd. Nette tourbussen, de baggage gaat onderin in plaats van bovenop. De huisjes op het platteland hebben tegelvloeren in plaats van aangestampt zand. Enkele nette winkeltjes en straatstalletjes langs de weg in plaats van een pulperia met chips en snoep om de honderd meter, wat ook te merken is aan de beperkte hoeveelheid plastic troep in de berm. En tenslotte Amerikaanse toeristen die geen woord Spaans spreken. (En laat ze in godsnaam geen gebrekkige poging doen, want dat is werkelijk tenenkrommend.)
Op naar het regenwoud in Monteverde, om toch nog wat frisse Costaricaanse lucht op te snuiven. Bij de bushalte scharrelden varkens rond en het duurde lang voordat de bus me meenam over hobbelweggetjes, gelukkig toch nog overeenkomsten met Nicaragua. Bij aankomst werd ik al snel geklassificeerd als oh, het is een backpacker dus de mevrouw van de chique lodge vond me niet meer de moeite waard. De eigenaar van het Sleep Cheaper Hostel had me al snel in de smiezen, handig, maar ik voelde me dus wel zwaar gecategoriseerd. Verder moest ik constateren dat het Centerparcs-gehalte ongeëvenaard hoog was, ja, het regende zelfs. Toen ik een pizza zat te eten kwam er een groot Nederlands gezelschap binnen. Nou maak ik aan deze kant van de oceaan altijd een praatje met mijn Nederlandse medereizigers, gezellig, maar dit was wel een heel ander type reizigers (lees: vakantiegangers). Het type ‘Centerparcs of met de sleurhut naar Frankrijk, maar inmiddels kunnen we ook goedkoop naar Costa Rica vliegen’. Dus ik stouwde de pizza naar binnen en begon met mijn Spaanste Spaans een gesprek met Nikos uit Griekenland, die ik mijn nationaliteit heel zacht meedeelde.
Inmiddels is mijn oordeel over Monteverde milder. Dat komt omdat ik aan kabelbanen door en over de jungletoppen heb gezoefd, na drie meter vallen aan een touw heb geslingerd, zodoende grote hoeveelheden adrenaline heb verwerkt, een groener dan groen mysterieus in wolken gehuld regenwoud heb verkend, vlinders, kolibries, schorpioenen, vogelspinnen heb gezien en het mooiste vogelgezang ooit heb gehoord. (En een nieuw vijf jaar oud vriendinnetje heb gemaakt, Jazmin. Gezellig kletsen in het Spaans en kijken of er te spelen viel met de inhoud van mijn rugzak.) Weldadig natuurschoon op een veilige, luxe plek, dat het toerisme hier welig tiert is logisch.
Costaricenses, of tico’s, antwoorden op de vraag hoe het gaat met pura vida. Goed en pura vida zijn equivalent en pura vida is de lijfspreuk van de tico’s. Nou vroeg ik me gezien de invloed van de Verenigde Staten af of de latijns-amerikaanse identiteit van Costa Rica niet verloren is gegaan (denk aan het inhoudsloze How are you?). Costa Rica is inderdaad netjes en commercieel en legt de gringo’s in de watten. Na een paar dagen Monteverde en een paar uur in de heerlijke anonimiteit van de grote stad San José (zo had ik me alle steden in Centraal Amerika nou voorgesteld, beetje vies, lelijke hoogbouw, maar dynamisch), moet ik constateren dat men hier nog echt latino is in de positieve zin van het woord. Ik ben het er wel mee eens: pura vida!