Portfolio & Blog
Rijdend in een taxi door de buitenwijken van Havana voelde ik me zoals iemand zich gevoeld moet hebben na het voormalige ijzeren gordijn gepasseerd te hebben: in een andere wereld. In een wereld waar huizen huizen zijn, autos autos, een wereld van prototypen, zonder opsmuk. Puur aan de ene – zonnige – kant, kaal aan de schaduwzijde. Cuba heeft inderdaad twee kanten, of kan op twee manieren bekeken worden. Het perspectief van de Cubaan: no es facil en verder worden er weinig woorden aan vuil gemaakt. En dat van de toerist: het is een prachtig uniek land, het is een reis terug in de tijd. Mix de twee door elkaar en je hebt misschien een goede indruk van Cuba, een land van (schijnbare?) tegenstrijdigheden.
Ook al hingen er grijze wolken boven de stad, La Habana was er niet minder mooi om. Prachtig begevelde straten vol oldtimers en Lada´s en alles versleten en daardoor nog mooier. Van de weinige backpackers in Cuba kwam ik er eentje tegen bij het zoeken naar goedkope overnachting. Hannes en ik besloten een kamer te delen en waren net op tijd binnen voor de onweersbui. De straten waren nu nóg mooier en ik stond te springen om naar buiten te gaan, dus de tropische regenbui in. Om de hoek kwamen we meteen de befaamde straatpizza tegen, verkocht door een raam van een gewoon huis. Je moet ze weten te vinden, de plekken waar cubanen eten kopen, geen opvallende gevels met reclame, maar een klein bord met wat er te krijgen is. Het eten is hier veel goedkoper dan in de toeristische uitspanningen, want de toeristen betalen met de peso convertible (ongeveer een dollar) en cubanen met de peso cubano (ongeveer 4 dollarcent). Wat betaalbaar is voor toeristen is vaak onbetaalbaar voor cubanen, met allen een salaris van 13 convertibles per maand. Zo bestaat er een dubbeleconomie waarin de toeristen, of ze het nu willen of niet, superieur zijn. Gelukkig is het helemaal niet moelijk om aan moneda nacional te komen en kan er vervolgens eten gekocht worden waar de cubanen dat doen. Soms wordt je wantrouwend aangekeken, soms is het een mooie gelegenheid voor een praatje. Wachtend op onze pizza maakte een cubaan een praatje met ons en werden we uitgenodigd om naar zijn huis te komen. Hij troonde ons mee naar driehoog achter, letterlijk, in een bouwval. Twee vijftigerjaren fauteuils, een grote tv, een grote koelkast, minuscule keuken en badkamer, een slaapkamer op het entresol, al met al 16m2. We kregen koffie en taart, want zijn baseball-club had gewonnen, en op salsamuziek werd er een dansje gewaagd. Helaas moest ik constateren dat deze meneer zo zijn bijbedoelingen had, ook al had Hannes eerder verklaard dat ik zijn mujer was, dat vanwege enkele maanden ervaring met cubanos. Blij toen ik weer weg was uit de beklemmende situatie. We zochten de ruimte op wandelend over de Malécon, de brede boulevard aan zee met zicht op de hoogbouw in de modernere wijk. Hoge golven besproeiden het asfalt, een heerlijke plek. Heel populair bij zonsondergang. Tijd voor een mojito, toch even toerist spelen hoor. Hannes was op dreef en vertelde een cubaan die naar onze nationaliteiten (enzovoort) informeerde een heel verhaal over dat we onze three-year-anniversary aan het vieren waren in Cuba. Ik viel van de barkruk af van de slappe lach, want we waren een bijzonder ongeloofwaardig stel, maar men geloofde het verhaal, we kregen zelfs korting op de mojitos en de sigaren werden tevoorschijn gevist. Met een habanera zusterlijk aan een sigaar gelurkt voordat ik in een rum-coma viel en Hannes boven de wc hing om alles er weer uit te gooien. Bienvenida a Cuba!
Fris als een hoentje de volgende morgen op zoek naar brood en fruit. Net als iedereen in de rij, plastic zakje mee om de nauwkeurig gewogen, betaalde en genoteerde waar in mee te nemen. Nu de stad in bij daglicht. Het toeristische Habana Vieja, Unesco werelderfgoed, is mooi: een vleugje Sevilla, toefje Rome, parkjes fonteintjes kleurige gevels. Echter lang niet zo charmant en authentiek als Centro Habana, dat qua sfeer doet denken aan Lissabon. Wat mij betreft staat Havana op nummer één van mooie, sfeervolle wereldsteden, ja, de paseo del Prado is zelfs mooier dan de Ramblas in Barcelona. Een bicitaxichauffeur nodigde me uit voor een gratis ritje om toe te kunnen lichten dat niet alle cubanen hetzelfde zijn als het op vrouwen aankomt. Met enige reserve nam ik de uitnodiging aan. Nou is er een nogal strenge politiecontrole op de interactie tussen wel en niet cubanen. Als cubaan kan je een bon krijgen voor het praten en rondlopen met toeristen. Men zegt dat dit een maatregel ter bescherming van de toeristen is, maar waartegen? Cubanen zijn uiterst vriendelijk, niet aleen maar als ze je iets willen aansmeren of uit zijn op seks. Maar zoals velen wellicht weten wordt het in het openbaar praten over politiek en economie niet getolereerd. Het beeld dat de toeristen krijgen van Cuba moet natuurlijk wel picture-perfect zijn. Mijn gratis gids drukte me dus op het hart bij politiecontrole te zeggen dat we vrienden waren en elkaar al geruime tijd kenden. Met de pont gingen we naar de andere kant van de haven, waar ik nog net de prachtige oude electrische trein zag wegrijden en waar er vanaf boven op de heuvel een prachtig uitzicht is over de stad.
Het Museo de la Revolución bood de ochtend daarop weer een andere blik op Cuba. Geheel in stijl met het propaganda-blaadje dat ik eerder bij de ambassade in Managua had gekregen, kwam ik het ene na het andere commentaar op het Amerikaans imperialisme tegen. Veel grootspraak van Fidel, dus ik concentreerde me maar op de foto´s en probeerde de feiten uit de propaganda te destilleren. Ik vermoed dat Che Guevara zich zou omdraaien in zijn graf als hij zag hoe men met zijn goede, humanistische, revolutionaire ideeën aan de haal is gegaan. Maar aan de andere kant, er zijn geen analfabeten in Cuba, iedereen wordt goed opgeleid, mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig, iedereen heeft een dak boven zijn hoofd, er is eten en meestal lopend water en electiciteit. Bovendien is er geen schrijnende armoede, men heeft het krap, maar is niet arm. Cuba zet je wel aan het denken over idealisme, socialisme en vooral kapitalisme. Zodra ook maar enig commercialisme tot Cuba door zou dringen, zal ook bij de cubanen de hebberigheid ontwaken en zal het gedaan zijn met het oneindig repareren van oude spullen, met de mobiele-telefoon-vrije samenleving. Waren wij echt zo veel slechter af vijftig jaar geleden? In Cuba kan je zien dat het wel meevalt en dat cubanen veel vrolijker door het leven gaan dan wij, wat gegeven hun situatie tegelijkertijd bewonderenswaardig en vanzelfsprekend is. Het blijft echter knagen dat er voor behoud van deze samenleving een beperking van de vrijheid noodzakelijk is. Wat ik ook jammer vind is de rol van geweld. Hierdoor was de revolutie succesvol, maar de daaropvolgende verheerlijking van het geweld, de militaire optochten op het enorme geasfalteerde plaza de la Revolución, de uniformen, geven me de kriebels. Goeie kriebels kreeg ik van de rincon de los cretinos, de hoek van de sukkels, waarin Bush en andere slechteriken het ervan langs kregen. Fidel blijft sympatieker als enfant terrible.
´s Middags drongen Hannes en ik verder door tot alledaags Cuba. Coppelia is een beroemde ijssalon in Vedado, waar cubanen een uur in de rij staan om een enorme hoeveelheid ijs naar binnen te werken. We sloten aan en na lang wachten mochten we het spacy-jaren-vijftig-paviljoen in om gezeten tussen de ijsbunkerende gezinnen tot de conclusie te komen dat we lang niet zulke ijsmonsters zijn als we dachten. Na twee bakjes zaten we vol, terwijl het stel bij ons aan tafel gestaag onderweg was naar nummer vijf. Een über-cubaanse ervaring. Über Havana was het mooie uitzicht vanaf de bovenste verdieping van hotel Havana Libre. Underground was het reggaeconcert die avond: dansende rastafaris in een echt chic theater. Cultuur in alle soorten en maten staat hoog in het vaandel in de stad, geweldig, reggae in de schouwburg, sfeertje! Met een heel stel jongelingen, al dan niet uit Cuba, gingen we daarna dansen in het fort aan de andere kant van de rivier. De skyline van Havana by night en veel sterren. Is het je vrij voelen in Cuba nou echt een contradictio in terminis?
Als gedoodverfd toerist zat ik vroeg in de morgen in de toeristenbus naar Viñales. Ik wist niet of die excursie naar het platteland nou echt de goede manier was om Cuba beter te leren kennen, gezien het grote aantal toeristen. Praten met mijn buurvrouw in de bus, mede-backpacker en mede-idealist, bleek echter een goede oefening in het onder woorden brengen van onze Cuba-ervaring. Anja en ik besloten een kamer te delen en die middag togen we de paden op. Het tijdreis-gevoel bereikte zijn hoogtepunt wandelend tussen de boerderijtjes. Twee ossen voor de ploeg, bescheiden akkers, oude schuren (de pasgeoogste tabak hing te drogen), jongetjes wreed spelend met een varken, zo moet het ongeveer zijn geweest voor mijn vader als kind op een brabantse boerderij. Surreëel was de rode kleur van de aarde in contrast met de groene speldenkussen-heuvels en de blauwe lucht, alsof we ons in een film bevonden. Het meest alien van alles was de voorgeprogrammeerde manier van praten van de mensen, heel vriendelijk, maar oppervlakkig, duidelijk de diepgaandere ´verboden´ onderwerpen vermijdend. Men wilde ons graag een gids aansmeren voor de wandeling de volgende dag, maar dan moet je net twee eigenwijze dames hebben. Wij wilden lekker vrij de natuur in, moet je net cubanen hebben in een toeristische regio die zo gecontroleerd is door de staat dat ze geen idee hebben van vrijheid. Ja, Anja en ik moesten constateren dat deze toeristische idylle, in een prachtige vallei in een zonnig land, voelde als een interneringskamp. Twee nachten waren veel te kort om het vertrouwen van het gastgezin te winnen, iedereen kende elkaar in het dorp en de muren waren dun. Overal stukken hout beschilderd met Viva Fidel, Viva Raul enzovoort, aan palen getimmerd om aan te tonen dat hier slechts brave burgers wonen. Hier keek men mij al helemaal raar aan als ik wat kocht bij de peso-stalletjes. In Havana voelde ik de macht van de politie, hier was het gevoel versterkt, hoewel er vrij weinig op straat waren. We togen naar een nederzetting wat hoger in de bergen. Hier eindelijk een vrijer gevoel. De boer en zijn gezin kwamen vrijwel nooit in de vallei. Heel gastvrij werden we onthaald op de boerderij, met zelf verbouwde koffie en sap van mangos uit de boomgaard. Vanaf het erf een prachtig uitzicht over de vallei. De manier van leven in Cuba is puur, hier was het nog puurder en er kon gepraat worden zonder de gebruikelijke omzichtigheden die de gesprekken met het gastgezin verstikten. Die avond werd er eindelijk fatsoenlijk salsa gedanst, de straat vulde zich met live-muziek duidelijk bedoeld voor de toeristen, maar het was niettemin heel sfeervol op de koloniale veranda. De oudste zoon van ons gastgezin bleek een verdienstelijk danser, die beweerde dat hij nog nooit een toeriste tegen was gekomen die zo kon dansen. Dit werd genuanceerd door de hartverwarmende naïeve liefdesverklaring die later volgde, die ik heel voorzichtig afwimpelde. Het was een lieve jongen, hij wilde ook reizen, hij wilde ook een mobiele telefoon, hij kon maar heel af en toe zijn e-mail checken en illustreerde zo heel concreet wat nou precies ´niet gemakkelijk´ is voor de cubanen.
Terug in Havana had ik nog even de tijd om de stad in me op te zuigen, nog een keer wandelen over de Malecón, pizza eten op straat en er wachtte nog een heel cubaanse ervaring. Zaterdag stond in het teken van de béisbol-wedstrijd tussen Santiago en de Industriales uit Havana. Vroeg in de morgen vonden er op straat al verhitte discussies plaats tussen aanhangers van beide ploegen en er waren nog meer jongetjes dan gebruikelijk op straat in de weer met knuppel en bal. Heel belangrijk, sport (ik hoor het de vader van het gastgezin in Viñales nog zeggen, een goede indruk van de gesprekken aldaar). De eerste keer in een stadion, omgeven door dansende en druk gebarende en discussiërende cubanos. De wave ging wel vijf keer de enorme tribune rond, fanatiek is een eufemisme. De ´sport voor volk en vaderland´-teksten die in het stadion hingen werkten op mijn lachspieren, op een gegeven moment wordt het slapstick, de verheerlijking van land en revolutie. Na twee en een half uur was de wedstrijd nog niet afgelopen, maar begreep ik voldoende: het lijkt op softball en het is vrij saai om naar te kijken, want er wordt veel te goed gegooid om de ene na de andere homerun te slaan.
Een week was veel te kort voor Cuba, maar in deze korte tijd zoveel indrukken, dat een enorm verhaal op mijn blog onvermijdelijk was. Hoe ik echter ook probeer het Cuba-gevoel onder woorden te brengen, het komt lang niet in de buurt van hoe het echt voelde, dus rest mij slechts de conclusie dat iedereen nu meteen naar Cuba moet. Als je wil weten hoe het voelt om tijd te reizen, om niet meer wijs te worden uit de chaos van de -ismen die er ontstaat (zijn het nou tegenstrijdigheden of niet of tegelijkertijd? Maar veel concreter dan filosofisch, want het gedachte-experiment vind voor je neus plaats) en die bewustwording te vinden die alle reizigers overal ter wereld zoeken, ga naar Cuba. Je krijgt het zonnige weer, de goede muziek, een prachtige stad en de behulpzame cubanen op de koop toe. Sodeju, wat een pleidooi, maar sodeju, wat een land.