Portfolio & Blog
Het is geen sinecure een compromis te vinden tussen de oerGuatemaalse ervaring en het oprukkend massatoerisme. Antigua is vrij verwesterd en stond in schril contrast met de prachtige authentieke bergdorpjes rondom Quetzaltenango. Mooie stad, maar gringo-territory, dus een beetje saai. Vanuit Antigua werd ik in een luxe-toeristenbusje vervoerd naar Semuc-Champey. Ik had weinig zin in Guatemala City, dus er zat niets anders op. Overigens beviel Guatemala City me wel, onderuitgezakt in het busje. De stad, hoe vervuild ook, had iets kwetsbaars in de avondzon.
Het toeristenbusje had, net als het gewone verkeer, vertraging, waardoor ik een nacht in Coban moest doorbrengen. Het enigsins louche, maar oh zo Guatemaalse hotel, Spongebob-deken incluis (ja het stikt hier van westerse cartoonfiguren, vooral de ladingen tassen in de bus met Winnie-the-Pooh-print zijn lachwekkend, een dertigjarige vrouw met Barbie-rugzak is heel normaal) stond haaks op de bus vol (zeurende) toeristen, die de volgende ochtend naar Lanquin vertrok.
In Lanquin trof ik een heerlijk hostel aan, eigenlijk een lodge, gelegen tussen de steile junglebergen aan een riviertje. Met allemaal gezellige backpackers onder een palmbladeren dak in hutjes op palen, aan het Guatemaals bier op schommels aan de bar en het ene spelletje na het andere. Even verderop een heerlijk bergdorpje, waar huevos, arroz y frijoles (Guatemaals lekker) werden voorgeschoteld. Niet te toeristisch, maar wel van alle gemakken voorzien.
Ik wist al van tevoren dat Flores nogal toeristisch zou zijn en had me daarom voorgenomen er op een niet-toeristische manier naartoe te gaan. Tot Coban ging het goed, het minibusje zat helemaal vol, slechts de helft was toerist, maar in Coban bleek het moeilijker dan gedacht een chickenbus naar het noorden te vinden. Het was warm, het was vroeg, en ik zwichtte voor de toeristenbus. Gezien de temperaturen onderweg waarschijnlijk maar goed ook, maar ik voelde me wederom voortgedreven als vee.
Flores bleek een beminnelijk dorpje, omringd door het water, gekleurde gevels, maar inderdaad erg toeristisch en duur. Bij aankomst was ik nogal wazig en algauw was mij een sunrise-tour naar Tikal aangesmeerd. De prijs leek aanvankelijk goed, maar bleek bij nader inzien weinig kwaliteit te impliceren. Het werd licht in Tikal, onder een dik pak grijze wolken, en hoewel het gebrul van de brulapen indrukwekkend was, vond ik het heel erg jammer dat de zon niet prachtig opkwam boven de mayawolkenkrabbers. De gids was een gezellig lispelende Guatemalteco, die ons van enkele leuke weetjes voorzag, maar verder weinig informatiefs vertelde. Tikal was erg mooi toen de zon doorbrak en ik spotte zowaar een toucan, maar het besluit was: even geen tours meer. Reisgenootje Betsy en ik namen daarom de volgende dag het heft in eigen hand. In een kayak het meer over om bedolven te worden onder de babyaapjes op een plek waar geen gringo te vinden was. Ik koester al ik weet niet hoe lang de droom om met babyaapjes te knuffelen, dus u begrijpt vast hoe ik me voelde.
Verruiling van het toeristische Flores voor het rustieke El Remate, even verderop aan het meer, leek een goed idee. Het was een fijne plek, ware het niet dat de grijze wolken mijn idee van een dagje aan het meer in de zon snel overschaduwden. De reis zette zich voort via de chaos van Santa Elena (eindelijk een markt met fruit en normale prijzen, ja, ik denk inmiddels in Quetzales) in een bus die geen chickenbus was, maar er net zo goed een had kunnen zijn. Gezeten tussen de boeren, vreemd genoeg allemaal met gouden tanden, heen en weer geslingerd naar Rio Dulce.
Daar wachtte de echte deceptie: een enorme sloot, overbrugd door een grijze kolos, stinkend naar diesel, gelardeerd door het ene luxe jacht na het andere. Gringoland, weg hier. Ik begreep niet waarom iedereen zo lovend had gesproken over deze plek. Dat de zon zich niet liet zien maakte de deceptie des te erger. De warme waterval bij Finca Paraiso deed me goed, maar de volgende dag nam ik met genoegen de boot naar een plek verderop aan de rivier.
Wat ik hier aantrof overtrof alle verwachtingen. Tussen Rio Dulce en Livingston is er een prachtig rivierlandschap, met houten huisjes op palen aan het water. De jungle is er dichtbegroeid. Middenin lag Finca Tatin, een junge-lodge aan het water, waar het heerlijk toeven was op de steiger in de zon, aan een geïmproviseerde liaan met bijpassend geluid het water in zweven, riviertjes verkennen in kayak en verdwalen in de jungle.
Inmiddels bevind ik me in het toeristische maar leuke dorpje Livingston en bereid ik me voor op Caraïbische avonturen. Ik denk dat het compromis tussen de oerGuatemaalse ervaring en het massatoerisme vooral ligt in de afwisseling, ook de jungle-lodges doen me veel goed, maar het staat voor mij eens te meer vast dat genieten van een plek veel beter kan als de zon schijnt. Guatemala is op haar mooist in de zon, toeristisch of niet.