Portfolio & Blog
Spiegeloog, nummer 304, 33e jaargang, april 2006
Mensen functioneren onder invloed van tal van factoren. Ons gedrag wordt bepaald door onze omgeving, onze ervaringen, onze genen. Toch ervaren we momenten waarin we kunnen kiezen of we psychologie gaan studeren of iets anders en als iemand voorspelt dat we naar links lopen kunnen we eigenwijs rechts afslaan. In hoeverre is er in gebouw A eigenlijk ruimte voor ‘vrije wil’? Spiegeloog ging te rade bij methodoloog Denny Borsboom, filosoof Jan Willem Romeijn en cognitieve neurowetenschapper Victor Lamme.
Vrije wil is een uitermate wazig concept en ook de tegenpool determinisme zou wel wat verheldering kunnen gebruiken. Wat bedoelen we eigenlijk als we ons afvragen of we een vrije wil hebben? Borsboom: ‘Volgens mij is het antwoord op de vraag naar vrije wil triviaal of de vraag is onzinnig. Wil is een oneigenlijk zelfstandig naamwoord. Ik wil iets, er is niet een wil die iets wil. De term vrijwillig is veel zinniger.’ Volgens Romeijn bedoelen we met het hebben van een vrije wil eigenlijk het hebben van keuzevrijheid, in die zin dat we vrij zijn van dwang. ‘Dat is iets anders dan dat je wil vrij zou zijn. Wilsvrijheid is volgens Schopenhauer dat ik vrij ben in mezelf om de wens te krijgen om iets te doen. Dus de overweging of ik iets wil of niet is ongedetermineerd. Deze notie vind ik vergezocht en ik zie er ook geen noodzaak toe.’
Een betere vraag is dus: bestaat er keuzevrijheid of vrijwillig gedrag? Het antwoord hierop lijkt een vanzelfsprekend ‘ja’. Dat we allerlei dingen doen zonder externe dwang impliceert dat er vrijwillig gedrag bestaat. Borsboom: ‘Mijn gedrag is vrij in die zin dat ik het niet doe omdat er een pistool op me gericht is.’ Gedrag wordt echter ook intern gedetermineerd. Lamme: ‘Dat pistool zit in je. Al je ervaringen en je genetische opmaak bepalen net zo sterk je gedrag als een pistool aan de buitenkant dat zou doen.’ Volgens Borsboom wordt er in dit psychologisch determinisme, waarin we een slaaf zijn van onze onbewuste drijfveren, een eigenaardig onderscheid gemaakt tussen het ‘ik’ en zijn drijfveren, genen en hersens. ‘Zeggen dat je iets doet vanwege je genetische constitutie is onzin, want er is geen onderscheid tussen jou en je genetische constitutie. Met andere genen zou ik niet ik zijn.’
De notie van keuzevrijheid herbergt een ingesleten dualistische aanname. Nog steeds denken we dat we hersens ‘hebben’ in plaats van dat ze deel van ons uitmaken. Geest en lichaam worden van elkaar onderscheiden. Romeijn: ‘We hebben het idee dat een onafhankelijke mentale entiteit invloed uitoefent op de materiële werkelijkheid.’ De vrije wil is natuurlijk iets mentaals, want als het materieel zou zijn, zou het onderhevig zijn aan natuurwetten en dus gedetermineerd zijn. Lamme: ‘Vrije wil gaat om het gevoel dat er een mentale aansturing van gedrag bestaat. Dat we dit zo ervaren wil nog niet zeggen dat het ook zo is. Ik denk niet dat wat je denkt je gedrag aanstuurt. Je gedachten zijn net zozeer output van biologische processen in de hersenen als je gedrag.’
Uit het onderzoek van Libet (1999) blijkt een onbewust biologisch keuzemoment vooraf te gaan aan de bewuste ervaring van het maken van een keuze. De keuze wordt als het ware al gemaakt voordat we die in gedachte krijgen. Lamme: ‘Het keuzemoment is het moment waarop het ene reflex het wint van de andere. In de hersenen zijn er een aantal biologische paden of stimulus-respons koppelingen actief. De mate van activiteit bepaalt welk pad wordt ingeslagen.’ Er is geen mentaal mannetje wat ingrijpt op deze biologisch causale reeks van gebeurtenissen. Deze zogenaamde homunculus past niet binnen het materialistische wereldbeeld van de wetenschap. Borsboom is het daarmee eens, maar waarschuwt dat het bij het experiment van Libet gaat om een experimenteel effect dat niet bij alle deelnemers werd gevonden. ‘Er is hier geen sprake van een strikte wetmatigheid. Ook hier wordt weer die kunstmatige scheiding gemaakt tussen hersens en individu.’ Romeijn maant eveneens tot voorzichtigheid in het interpreteren van de onderzoeksresultaten van Libet. ‘De verbinding tussen experimenteel onderzoek en een filosofische vraag is meestal vrij zwak en men trekt al te vlugge conclusies.’
Toch lijkt het determinisme onvermijdelijk. Hoe kunnen we immers elementaire deeltjes van hun voorbestemde pad afbrengen? Tegenstanders van het fysisch determinisme (alles is opgebouwd uit elementaire deeltjes die in wezen gedetermineerd zijn) grijpen naar de kwantummechanica. Romeijn: ‘Deze natuurkundige theorie is niet vanzelfsprekend, maar moet geïnterpreteerd worden. In één van de mogelijke interpretaties is er sprake van causaal open momenten in fysische systemen. Op dit punt zou de vrije wil in kunnen springen.’ Borsboom: ‘Als elementaire deeltjes al niet gedetermineerd zijn, waar hebben we het dan nog over?’ Er bestaat echter twijfel over de waarde van de kwantummechanica voor de vrije wil. Romeijn: ‘Hoe kom je van een minuscuul kwantummechanisch keuzepuntje naar dat macroscopische keuzemoment in menselijk gedrag? Hier worden een moeilijk te interpreteren fysische theorie en een moeilijk met de wetenschappen in het reine te brengen metafysisch uitgangspunt door elkaar geroerd.’ Inderdaad lijkt hier sprake te zijn van een vreemdsoortige reductionistische gedachte. Het centrale en aannemelijke idee is dat de wereld niet honderd procent voorspelbaar is. Volgens Lamme verandert dit echter niets aan de waarheid van het fysische wereldbeeld. Dat we in de psychologie het idee hebben dat we menselijk gedrag nooit volledig kunnen voorspellen heeft te maken met de verregaande complexiteit van de mens. Er moet een heel ingewikkeld systeem worden doorgrond om de juiste voorspelling te maken. De systemen in de natuurkunde zijn veel eenvoudiger. De voorspellingen worden hier echter gedaan in laboratoria. Borsboom: ‘Het gaat hier om biljartballen-natuurkunde op een geïdealiseerde biljarttafel. Er is geen enkele indicatie dat het buiten het laboratorium ook zo gaat. De stroming van de oceanen en het weer zijn niet helemaal voorspelbaar. In plaats van op allerlei ingewikkelde manieren proberen te voorspellen wat ik ga doen, kan je het me ook gewoon vragen.’ Volgens Lamme zeggen complexiteit en voorspelbaarheid niets over het bestaan van de vrije wil. ‘We zeggen toch ook niet van het weer dat het een vrije wil heeft? En wanneer is een wezen complex genoeg om een vrije wil te hebben?’ Het is al raar om te zeggen dat een hond keuzes maakt, laat staan een kikker. Er is volgens Lamme geen enkel argument om te veronderstellen dat er bij deze dieren iets anders gebeurd dan bij de mens.
Lamme vindt het maar een flauwe filosofische kwestie. ‘Als je kijkt wat er werkelijk gebeurt in het brein verdampen begrippen als willen en intentie. We ervaren controle over ons gedrag omdat er ooit de gedachte is ontstaan dat we een geest hebben. Als sociale dieren zijn we bezig met het proberen te voorspellen wat een ander gaat doen. De notie van vrije wil is waarschijnlijk in deze context ontstaan. In feite is ons gedrag gebaseerd op reflexmatige processen met een sensorische input en een motorische output. Deze zijn echter zo complex dat er het idee ontstaat dat we een keuze hebben.’
De menselijke ervaring is dat we een keuze hebben. Is dat zo? Wat ervaren we dan? Lamme: ‘Mensen weten vaak niet waarom ze ja of nee zeggen. De keuze overkomt ons. De rationalisaties die we achteraf van onze keuzes maken zijn vaak aantoonbaar onjuist. Er is leuk sociaal psychologisch onderzoek wat dat laat zien. Ik zelf heb bij het bestuderen van een menukaart niet het gevoel dat mijn gedachtes de doorslag geven.’ Romeijn: ‘Ik ervaar helemaal geen vrije wil. Het is ook zoiets mafs. Je neemt een besluit en dat heeft kolossale gevolgen voor je leven. Maar wat gebeurt daar nu precies? Waar komt dat besluit vandaan op het moment zelf?’ Voor de keuze overwegen we en na de keuze rationaliseren we. De keuze zelf lijkt ons te overvallen. Of dat nou zo ervaren wordt of niet, er is wel een keuzemoment. Het kan het een worden of het ander. Borsboom: ‘Er zijn meer dingen mogelijk dan hetgeen ik doe. Dit berust op het vermogen om bereikbare toekomstsituaties te bedenken. Er bestaat een spanningsveld tussen meerdere mogelijkheden zien en maar één mogelijkheid doen. Het is een denkfout te veronderstellen dat wat je zal doen hetzelfde is als wat je kan doen.’ Het zien van meerdere mogelijkheden hoeft echter niet te betekenen dat we niet gedetermineerd zijn. Er is maar één ding wat we doen en volgens Lamme kiezen we daar niet voor, maar is dat de noodzakelijke uitkomst van het biologische proces.
Het keuzemoment mag dan wel biologisch en onbewust zijn, er wordt hoe dan ook een keuze gemaakt. Het idee dat wij zelf die keuze niet maken, maar dat onze hersens dat doen is uitermate dualistisch. Borsboom: ‘Als dat dualistische idee nou eens wordt losgelaten, dan zijn we het probleem kwijt of het nu een beslissing was van Denny, zijn genen of zijn temporale cortex.’ Lamme: ‘Onze constellatie bepaalt wat we doen. Er is iets wat beslist, ook al is dat biologisch en hebben onze gedachten daar geen invloed op.’ Als wij onszelf niet langer zouden zien als een mentale entiteit die aan de materiële touwtjes trekt, maar als een geheel in de zin van een biologisch systeem dat open staat voor de omgeving, dan nemen wij wel degelijk een beslissing. Deze beslissing ligt vast, maar alleen omdat je bent wie je bent inclusief jouw genetische opmaak en jouw ervaringen en jouw hersens. Is dat nou zo erg? Lamme: ‘Ik wordt niet ongelukkig van een deterministisch mensbeeld. Wat doe je immers met de informatie dat alles vastligt? Goddank bestaat de vrije wil niet, het zou slecht met ons aflopen. Dat er geen vrije wil is sluit niet uit dat er een ‘ik’ is, want die is er wel. Er is dus wel sprake van een zekere eigenheid, verantwoordelijkheid of autonomie, dat zijn ook allemaal veel betere termen dan vrije wil.’ Romeijn: ‘Stel dat er totale causale openheid zou bestaan, dan zou de willekeurigheid regeren. Dat zou een uitsluiting van wilsuitoefening betekenen. Dus in die zin is determinisme nodig om te doen wat je wil.’ Met andere woorden determinisme is nodig om te zijn wie we zijn en te handelen naar wie we zijn. Borsboom: ‘Niemand heeft me zover kunnen krijgen om het probleem van de vrije wil te zien.’
Wat moet een psycholoog nu met de vrije wil? Romeijn: ‘Er ontnuchterend en analytisch commentaar op geven. Eerst zal de conceptuele wanorde moeten worden opgeklaard. De keuze-ervaring is een relevant onderwerp voor de psychologie en daar zou onderzoek naar gedaan kunnen worden. De onafhankelijke ziel of geest is geen psychologisch, maar een metafysisch onderwerp.’ Volgens Borsboom hoeft de psycholoog niet wakker te liggen van dit probleem, omdat het vooral een conceptueel en dus filosofisch probleem is. ‘Het psychologisch onderzoek kapitaliseert erop dat we een keus hebben, je vraagt immers of iemand eraan wil deelnemen. Keuzevrijheid is een vrij fundamentele aanname in de psychologie.’ Lamme zou graag een eliminatie van de geest zien, want door deze gedachte zijn allerlei schijnproblemen, zoals de vrije wil, de wereld in geholpen.
Literatuur:
Libet, B. (1999) Do we have free will? Journal of Consciousness Studies, 6, 47-57.
Voor wie meer wil:
-Victor Lamme hield ter gelegenheid van de Dies Natalis van de UvA op 9 januari 2006 de rede ‘De geest uit de fles’. De registratie hiervan kan op internet bekeken worden via UvA-TV. De schriftelijke versie is beschikbaar via de Amsterdam University Press, www.aup.nl
-Schopenhauer, A., De vrijheid van de wil, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 3e druk, 1996, ISBN 90 284 1553