Portfolio & Blog
Al een tijd dwaalde ik wat verloren rond op de milonga, met mijn dansziel onder de arm. Of het nu in Amsterdam was, in Buenos Aires of ergens onderweg, er klopte iets niet meer met de tango. Ik kon mijn ei niet kwijt, en vroeg me zelfs af of ik dat ooit werkelijk had gekund. De drang om te gaan dansen werd langzaam minder, de salon liet me ijskoud. Lesgeven gaf de tango nog vorm en zin, maar het Amsterdamse lesseizoen eindigde en in Buenos Aires zou ik mij gaan toeleggen op andere onderwijsvormen. Kort na aankomst in Argentinië hield ik op met dansen…
La Cadena, december 2011
Continue Reading →Verschenen op LA Ruta.nu : Latijns Amerika op weg
![]() |
Twee emblematische oude milongueros aan het woord
Het overbruggen van generaties levert mooie tangomomenten op. Halverwege een milonga onderbraken Osvaldo en Coca hun optreden om bij te komen, maar Villa Malcolm barstte los in een daverend applaus. Bij het danspaar dat de comeback van de oude generatie belichaamt, gaat het immers om de kwaliteit en niet de kwantiteit. Dit weet ook de jonge generatie, en even lijkt het of er helemaal geen kloof is. Osvaldo en Coca, die dertig jaar niet dansten, om vervolgens in 2004 het wereldkampioenschap salon te winnen, weten echter wel beter.
La Cadena, november 2011
Continue Reading →Verschenen op LA Ruta.nu : Latijns Amerika op weg
![]() |
‘Vrouwen zijn van nature vaak wat minder geneigd tot macht grijpen’ kopt Sylvia Witteman in haar Volkskrant column op 24 oktober. Op dezelfde dag in de omgekeerde wereld staat er op de voorpagina van La Nación ´A la Presidenta, todo el poder.´ Dat wil zeggen, alle macht aan de presidente. Weer een mooi synchroon contrast om een maandagochtend over te filosoferen. Over macht, de menselijke natuur en de retoriek der sekseverschillen. Is macht iets dat gegrepen wordt, of wordt het verleend? Is de ´menselijke natuur´ anders in Nederland dan in Argentinië? Kunnen we het wel op wereldschaal hebben over vrouwen of positieve discriminatie?
Wat illustreert dit contrast? Niet de verschillen tussen mannen en vrouwen of culturele diversiteit. Het laat de willekeur zien waarmee we praten over abstracte entiteiten. De manier waarop we informatie uit de lucht vissen. Hoe we zodanig goochelen met woorden dat we volkomen betekenisloze uitspraken doen. Of in ieder geval ver verwijderd van een context die nog enige zin aan onze zinnen zou verlenen. ´Hypertalk´, noemt een cultuurpsychologische collega het. En inderdaad, het is een overdrijving, een overgeneralisatie die alleen maar bestaat bij gratie van een kaartenhuis aan concepten en ideeën waarvan we inmiddels niet eens meer weten waar ze vandaan komen. Wat is ´macht´ tegenwoordig nog? Heeft het nog iets te maken met een enkele heerser(es)? Of zit het zoals Foucault het benaderde in ieder klein hoekje? Democratie is ook niet meer wat het was in klassieker tijden. En ´man´ of ´vrouw´ heeft dat nog wel iets te maken met jagers en verzamelaars? Heeft het gebruik van die termen, de actie bij gratie van die termen, ze inmiddels niet getransformeerd tot een politieke contrapositie? En hoe kan dat nog verwijzen naar de concrete organische interactie, een ontwikkeling op biologisch niveau?
Inderdaad, we zouden een vuistregel op kunnen stellen: alle beweringen ´p is van nature q´ zijn van nature twijfelachtig.
Als ik het zou hebben over hoe er in Nederland op een vrij absolute manier tegen de rest van de wereld aangekeken wordt, top down als het ware, zou ik dan ook hypertalk bezigen, of zou ik een context beschrijven waarin overgeneralisatie tot stand komt? In Argentinië is er net zo goed hypertalk, ook hier vliegen de sekseverschillen je om de oren. Maar er is een groot concreet verschil, waar we verder niets mee hoeven, maar wat wellicht meer verheldert dan gedelibereer over sekseverschillen: met een overweldigende meerderheid werd een vrouwelijke president herkozen. En in Nederland hebben we dat tot op heden nog niet kunnen zeggen.
Continue Reading →In ‘Iedereen psycholoog’ ( – De Groene Amsterdammer, 5-10-2011) worden belangrijke zwaktes van de (sociale) psychologie geformuleerd. Uit verschillende deelgebieden van de psychologie klinkt kritiek. Van theoretische oppervlakkigheid, te vaag exploratief onderzoek en de druk op het academische productieproces, tot een verindividualiseerde en vercommercialiseerde maatschappij. Er ontbreken echter een paar achtergrondoverwegingen, uit psychologische deelgebieden die helaas gemarginaliseerd zijn, ten bate van sociaal populaire statistisch significante open deuren. De wetenschappelijke armoede kan voor een groot deel geweten worden aan het gebrek aan filosofische en historische reflectie in de psychologie.
Een kritische wetenschappelijke houding is niet gebaat bij referentiecriteria die gebieden dat alleen het meest recente onderzoek mag worden geciteerd. De theoretische teloorgang heeft veel te maken met het voortdurend opnieuw uitvinden van oude wielen. Vele herformuleringen en retorische ingrepen verder zijn de fundamentele vragen van de psychologie nog steeds dezelfde, maar is de blik op deze vragen vervaagd. Bovendien is de ontwikkelingsgeschiedenis ervan, waar veel van geleerd kan worden, uit het oog verloren. Een beetje bronnenonderzoek zou de psycholoog goed doen. Dan kan hij zijn onderzoeksvraag aanslijpen. Want goed onderzoek begint bij een goede vraag.
Vragen leren stellen staat niet voorop in het inwijden van nieuwe psychologen in het vak. De nadruk wordt gelegd op de methode. Dat is immers wat de psycholoog onderscheid van sociologen en antropologen. Daarbij gaat men voorbij aan dat er goede maatschappijwetenschappers zijn en slechte psychologen. De methode garandeert geen goed onderzoek. Dat hebben we met het geval Stapel wel gezien. Het gevaar is dat men naar aanleiding hiervan denkt dat de methodes aangescherpt moeten worden. Dit, als we kijken naar de afgelopen decennia in de psychologie, werkt averechts. Het methodologisch solipsisme wordt dan alleen maar groter: als we maar een gedegen methode hebben dan kunnen we alle willekeurige vragen daar aan toetsen. Nee, zo werkt het niet. Voorbeeldige experimenten uit de geschiedenis van de psychologie leren ons dat we methodologisch creatief moeten zijn. Eerst is er de vraag, goed ingebed in wetenschappelijke context, en dan zijn er nauwkeurige redeneringen om de juiste methode uit te kiezen.
Ook in dat proces wreekt zich filosofische onzorgvuldigheid. Er wordt maar weinig stilgestaan bij het begrippenapparaat. Concepten worden zonder nauwkeurige definitie aangewend, met als gevolg dat men langs elkaar heen praat en onderzoek repliceren vrijwel onmogelijk is. Men kijkt niet naar waar de concepten vandaan komen, hoe ze gebruikt en misbruikt worden. Vaak worden concepten uit een sociaal-politiek discours opgepikt en wordt een status quo bevestigd. Er is dan ook een kanjer van een validiteitsprobleem. Bovenop theoretische oppervlakkigheid, komt bij dat er weinig psychologen in staat zijn zorgvuldig van een theorie naar een hypothese te redeneren. Kritische filosofische vaardigheden worden al lange tijd uit het psychologie curriculum gefilterd. De nadruk ligt op de empirie. Het is precies in de onzorgvuldige benadering van de empirie dat de psychologie ophoudt wetenschap te zijn. Want hoe benader je de empirie? Juist, met een goede theorie. Haal die maar eens uit de vergaarbak van significante data.
Genoeg aanleiding voor vernietigende zelf-kritiek. Een wetenschap die pretendeert Popperiaans te zijn ontbreekt het aan falsificatie. De verwijzingen naar Wittgenstein worden in retorische ijdelheid gemaakt. Grote methodologische voorbeelden worden in de praktijk niet gevolgd. En naar belangrijke wetenschapsfilosofische/-sociologische kritiek wordt niet geluisterd. Kritiek valt ook het psychologie onderwijs ten deel. Daaruit lijkt langzaam kritische reflectie te verdwijnen, want het zou maar ten koste gaan van de legitimiteit van de psychologie. Of erger: van het slagingspercentage, dat wil zeggen de opbrengst gegenereerd uit de studentconsument. Inderdaad, de ego’s stapelen zich op, maar wees gerust, u hoeft ze niet meer te geloven.
Continue Reading →
Wat is dat toch met die tango? Dat we er zo volkomen aan verslingerd raken of dat we er zo totaal genoeg van hebben? Dat we er zo geïnspireerd door raken en dan weer gefrustreerd? Dat we het bloedserieus nemen en er maling aan hebben?
We kijken elkaar lang aan en verzuchten: kon het maar zonder die extremen. Telkens een beetje beteugelde passie. Vandaag denk ik aan het witte paard en het zwarte paard van Plato en Socrates. Dan ben ik de wagenmenner, die een edel, rationeel dier enerzijds en een woest, emotioneel beest anderzijds tegelijk in toom moet houden. Of eigenlijk ben ik die twee paarden. Met andere woorden, vandaag houd ik de tango in dichotoom, en slingert hij als ikzelf heen en weer tussen galopperende gedachten.
We kijken elkaar aan en maken de balans op: de tango is evenwichtskunstenaar!
“Zo was het voor mij de eerste keer: meegesleurd tot in de ingewanden van de bandoneon. Een verhaal van Borges. Welnu, daar in Nederland weten we van Fernández Fierro, we weten van Astillero, wat voegt El Afronte toe? De hardnekkigheid van het cliché natuurlijk! De krochten van de tango gaan voor u open, brace yourselves and enjoy the ride!” – La Cadena, Oktober 2011
Continue Reading →Wetenschap op z’n Spaans is geen sinecure. Het lijkt eenvoudig, alle woorden op –ism en –tion verbuig je naar –ismo en –ción. Maar pas op. Tussen Engels, Nederlands en Spaans vliegen false amigos je om de oren. Nee, psicología evolutiva is geen evolutionaire psychologie, maar ontwikkelingspsychologie. (Gelukkig maar, anders zou ik niet graag aan dito wetenschappelijke onderneming bijdragen.) Het is goed om nauwkeurig na te denken over wat ik zeg op congresos en seminarios, maar vereist opperste concentratie. Voordeel is dan weer dat ik allerlei overbodige informatie die over de intersubjectieve toonbank gaat moeiteloos links kan laten liggen. Waar de wetenschappelijke retorica in het Nederlands en Engels mij het bloed onder de nagels vandaan haalt, sluit ik mij voor de Spaanse variant eenvoudig af. De vaak erg formele en weinig resumerende woordkeuze van mijn collega’s hier, dringt dan alleen tot me door als ik er fatsoenlijk cheddar van moet maken. Wat overigens leuk is om te doen: de Spaanse stem in het Engels tot zijn recht te laten komen.
Er kan in de vertaling veel verloren gaan. Engels is een prettige analytische taal. Maar de nuance is moeilijker aan te brengen dan in het Spaans, of Frans of Duits. Willen mijn collega’s uit deze taalgebieden meedoen in de wetenschappelijke ratrace van publish or perish dan leggen ze het af tegen de angelsaxen en consorten. Terwijl ze inhoudelijk sterke en mooi gecompliceerde theorieën voorleggen maar deze gebrekkig presenteren, strijken de charismatische pragmatisten met de eer. Vertaal gegenstand maar eens naar het Engels. Inderdaad, het is een heel concreet sociaal-geografische illustratie van hoe wetenschap talig en politiek is. Dat de briljante Russische psycholoog Lev Vygotsky zo weinig impact had terwijl de Amerikaanse behavioristen de psychologie overhoop gooiden, had natuurlijk alles te maken met ijzeren gordijnen en taalbarrières. Naar mijn idee is dat vooral kritiek in een wetenschap als psychologie, waar de kennis aan een zijden draadje van een discursief web hangt. Hoe wij de (mentale) wereld indelen heeft toch alles te maken met de woorden die we ervoor hebben.
Nou kan dat ook overdreven worden: van de Franse diplomatiek word ik niet veel verlichter. To the point, s’il vous plaît! Maar het Duits is gewoon prachtig voor philosophische Genauigkeit. En in het Spaans zit er een gevoel van contact en flow in de taal, die het Engels er genadeloos uit kan kristalliseren. Daarom weet ik dat er vanuit deze perifere hoek nog veel bijgedragen kan worden aan psychologische kennis. Cómo se vincula todo!
Natuurlijk moeten we iets verder uit een psychoanalytisch moeras geraken. Freud was zo gek nog niet maar er wordt naar hartelust in gehandeld op de pampas, met wanpraktijk tot gevolg. Bovendien smeekt het onderwijs hier om enige vernieuwing. Het is prachtig dat iedereen naar de universiteit kan, in dat opzicht gaan de Argentijnen wat mij betreft de Nederlandse afzakkers ver vooruit. Maar wetenschappelijk leren schrijven en presenteren zou de nauwkeurigheid ten goede komen. En wie denkt dat een methode niet anarchistisch kan zijn heeft het hier mooi mis. Het barst nog van de autoritaire figuren waar we in Nederland rigoureus korte metten mee zouden maken. Mijn collega’s hebben een onmiskenbare neiging naar ‘meesterschap’, ze halen er graag allerlei grote namen bij. Soms gaat dat zo ver dat het niet meer gaat om ‘wat’ maar om ‘wie’. En daar ben ik, zelfs in mijn zoektocht naar inspirerende denkers, toch voorzichtig mee. Van dat antroposofische gedweep met Lacan en Deleuze krijg ik jeuk. Ik gebruik liever het prachtige intellectuele gereedschap dat Foucault leverde, dan zijn naam zelf.
Het is een voortdurende balans zoeken bij het je tussen kennisculturen bewegen, maar ik voel het aan mijn water: de synthese is nabij!
Continue Reading →